De rechtbank Midden-Nederland had op 24 december 2024 bepaald dat de moeder alleen het gezag over de kinderen heeft en dat de vader eenmaal per maand onder begeleiding omgang met de kinderen heeft. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof om gezamenlijk gezag en een uitgebreidere zorgregeling toe te wijzen.
Het hof heeft de standpunten van beide ouders en het advies van de raad voor de kinderbescherming zorgvuldig gewogen. De vader stelde dat zijn situatie verbeterd was en hij een veilige woonomgeving kon bieden, maar de moeder betwistte dit en stelde dat de vader geen hulpverleningstraject was gestart en onvoldoende betrokken was bij de kinderen.
De raad adviseerde het hof om het verzoek van de vader af te wijzen vanwege de negatieve dynamiek tussen de ouders en het ontbreken van verbetering in hun samenwerking. Het hof sluit zich hierbij aan en overweegt dat gezamenlijk gezag opnieuw tot klem komen van de kinderen zou leiden.
De omgangsregeling wordt gehandhaafd zoals vastgesteld door de rechtbank, met de mogelijkheid om in de toekomst toe te werken naar omgang zonder begeleiding. Het hof benadrukt dat het aan de vader is om stappen te zetten richting meer betrokkenheid en hulpverlening.
De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.