De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast en handhaafde deze na bezwaar. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens termijnoverschrijding. Het hoger beroep richt zich op de vraag of deze niet-ontvankelijkheid terecht is.
Belanghebbende stelde dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 11 januari 2023 ontving en daarom tijdig beroep had ingesteld. Het hof overwoog dat de heffingsambtenaar met een printscreen van de verzendadministratie, een factuur en een verklaring van het postbedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op 23 november 2022 ter post is aangeboden. Hierdoor begon de beroepstermijn op 24 november 2022 te lopen en was het beroepschrift van 16 februari 2023 te laat.
Het hof beoordeelde of de termijnoverschrijding aan belanghebbende kon worden toegerekend en concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor niet-toerekenbare omstandigheden of geringe verwijtbaarheid. De enkele stelling dat de uitspraak niet was ontvangen, was onvoldoende. Daarom bevestigde het hof de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank en wees het hoger beroep af.