ECLI:NL:GHARL:2025:5955

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.349.666/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering sanctie wegens overschrijding redelijke termijn bij verkeersovertreding

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het overschrijden van een doorgetrokken streep op 15 september 2022. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat er sprake was van een reële mogelijkheid tot staandehouding, wat werd verworpen.

Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De kantonrechter had de zaak niet hoeven aanhouden voor het aanvullen van gronden, en de lange duur is niet in overwegende mate te wijten aan de gemachtigde. Daarom matigt het hof de sanctie met 25 procent.

Daarnaast veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten aan de betrokkene, berekend op basis van de wettelijke punten en wegingsfactoren. Het arrest vernietigt de eerdere beslissingen en wijzigt de sanctie naar € 187,50.

Uitkomst: Sanctie verminderd met 25 procent en proceskostenvergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.666/01
CJIB-nummer
: 252404185
Uitspraak d.d.
: 30 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 20 november 2024, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 september 2022 om 08.23 uur op de Zwolseweg in Diepenveen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene herhaalt in hoger beroep dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan en dat de verklaring van de ambtenaar dat deze niet beschikte over een stoptransparant, onvoldoende was om van staandehouding af te zien.
3. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de kantonrechter, die heeft overwogen dat geen sprake was van een reële mogelijkheid tot staandehouding. Daar komt bij dat de advocaat-generaal in hoger beroep nog een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar heeft overgelegd. Daarin verklaart deze kort samengevat dat diens voertuig niet was voorzien van stoptransparant en niet herkenbaar was als politievoertuig, hij dezelfde overtreding als de betrokkene zou moeten begaan en moeten wachten of de betrokkene ergens stil zou komen te staan. Gelet op de gevaarzetting die dat meebrengt is daar van afgezien.
4. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 24 september 2022 aan de betrokkene gestuurd. De termijn van berechting is in beginsel geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 20 november 2024. De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter verzocht om een nadere termijn voor het aanvullen van de beroepsgronden. Bij brief van 17 juni 2024 is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. De gemachtigde heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak ter zitting van 24 juli 2024 aangehouden teneinde de gemachtigde (opnieuw) in de gelegenheid te stellen om de gronden van het beroep aan te vullen binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal. De verzenddatum van het proces-verbaal is 23 september 2024. De gemachtigde heeft vervolgens bij schrijven van 10 oktober 2024 de gronden van het beroep aangevuld. Het hof is van oordeel dat het aan de kantonrechter is om toe te zien op een voortvarende afdoening van de zaak. Het hof wijst er op dat de kantonrechter de zaak op 24 juli 2024 niet had hoeven aanhouden, in aanmerking genomen dat het beroepschrift aan de kantonrechter immers een beroepsgrond bevat, namelijk dat de gedraging wordt ontkend. Dit brengt mee dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de lange duur van de procedure niet in overwegende mate te wijten is aan de gemachtigde. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
5. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie is bekendgemaakt voor 31 december 2023, past het hof op deze proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe.
6. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift wordt één punt toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van dit hof van 11 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5551), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
7. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 566,88 (= (1 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 566,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.