De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind, dat sinds 2010 in een pleeggezin woont met een gecertificeerde instelling (GI) als voogd. De rechtbank had een omgangsregeling vastgesteld van eens per vier weken en twee keer per jaar een week vakantie, met afwijzing van verzoeken tot beëindiging van de voogdij en benoeming van een bijzondere curator.
In hoger beroep verzochten de GI en de vader om aanpassing van de omgangsregeling en andere maatregelen, waaronder een diagnostisch onderzoek en beëindiging van de voogdij. Het hof voerde gesprekken met het kind, die aangaven dat zij minder frequent contact met haar vader wenst vanwege haar drukke leven en de emotionele afstand.
De raad voor de kinderbescherming adviseerde rekening te houden met de wensen van het kind en geen diagnostisch onderzoek te gelasten. Het hof oordeelde dat het verzoek tot een dergelijk onderzoek te laat en onvoldoende concreet was. Ook wees het hof het verzoek tot beëindiging van de voogdij af, omdat geen sprake was van ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind.
De omgangsregeling werd gewijzigd tot één zondag per kwartaal, waarbij het belang en de wensen van het kind centraal staan. Het hof wees het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator af, omdat er geen belangenstrijd was en de voogd de belangen adequaat behartigt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.