ECLI:NL:GHARL:2025:300

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
200.348.630
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 335 lid 1 RvArt. 140 lid 1 RvArt. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen verstekvonnis bij civiele procedure

Appellant stelde hoger beroep in tegen een verstekvonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarin hij niet was verschenen en verstek tegen hem was verleend. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij appellant aanvoerde dat hij wel verzet had aangetekend, maar dat dit niet was erkend door de rechtbank. Tevens stelde appellant dat hij de Nederlandse taal niet machtig was en niet in Nederland verbleef tijdens de procedure.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 335 lid 1 Rv Pro hoger beroep tegen een verstekvonnis niet mogelijk is en dat verzet alleen kan worden aangetekend bij exploot van dagvaarding, wat appellant niet had gedaan. Zijn poging tot verzet per e-mail voldeed niet aan de wettelijke vereisten. Ook de omstandigheden omtrent taalbeheersing en verblijf in het buitenland rechtvaardigden geen uitzondering op de regel.

Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten van geïntimeerde, begroot op € 798,- aan griffierecht. De advocaatkosten van geïntimeerde werden op nihil gesteld. Het arrest werd uitgesproken op 21 januari 2025 door drie raadsheren.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.630
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 315858
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.H.J. van Riessen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank) op 10 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [appellant] is door het hof in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in het hoger beroep. [appellant] heeft de voornoemde akte op 17 december 2024 genomen. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.
Blijkens het vonnis van de rechtbank is [appellant] in de procedure bij de rechtbank niet verschenen en is verstek tegen hem verleend, wat verder niet ter discussie staat. Artikel 335 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat tegen een veroordeling bij verstek geen hoger beroep openstaat. De gedaagde kan alleen in verzet komen van het verstekvonnis (artikel 140 lid 1 Rv Pro). Dit zou betekenen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in dit hoger beroep. [appellant] stelt echter dat hij wel ontvankelijk is, omdat hij op 2 oktober 2024 verzet heeft aangetekend bij de rechtbank, maar dat verzet door de rechtbank niet is erkend. [appellant] is de Nederlandse taal niet machtig en was niet in Nederland toen de procedure bij de rechtbank speelde. De dagvaarding is daarom niet aan hem in persoon betekend, aldus [appellant] . Toen hij een kopie ontving van het vonnis, heeft hij verzet aangetekend. Omdat hij wel bedoeld heeft verzet aan te tekenen, zou het volgens [appellant] in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces c.q. de redelijkheid en billijkheid om hem niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep.
2.2.
Het hof volgt [appellant] hierin niet. Op grond van artikel 143 Rv Pro moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding. [appellant] heeft verzet willen aantekenen met zijn ‘verweer’ dat hij op 2 oktober 2024 per e-mail heeft gestuurd aan het e-mailadres: info.denhaag@rechtspraak.nl. Vaststaat dat het verzet niet bij exploot van dagvaarding is gedaan. Dat het door [appellant] aangetekende verzet door de rechtbank kennelijk niet is erkend ( [appellant] licht die stelling helemaal niet toe), brengt niet mee dat [appellant] nu ontvankelijk is in hoger beroep van het verstekvonnis.
2.3.
De omstandigheden dat [appellant] de Nederlandse taal niet machtig is en niet in Nederland was toen de procedure bij de rechtbank speelde, leiden evenmin tot het oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Hij heeft in dat licht niet duidelijk gemaakt waarom bijvoorbeeld het inschakelen van (juridische) hulp voor hem niet mogelijk was. Naar het oordeel van het hof zijn er door [appellant] verder geen andere omstandigheden aangedragen die een uitzondering op artikel 335 lid 1 Rv Pro rechtvaardigen. Het recht op een eerlijk proces en/of de redelijkheid en billijkheid vormen in deze situatie geen argumenten om [appellant] ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.
De conclusie
2.4.
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in hoger beroep. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. De advocaatkosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in hoger beroep;
3.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 798,- aan griffierecht.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M. Schoemaker en G.A. Diebels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 januari 2025.