Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:294

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
200.341.172
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:195 BWArt. 4:198 BWArt. 4:202 lid 1 BWArt. 4:210 BWArt. 674 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vordering geldlening en verdeling nalatenschap moeder

In deze civiele zaak vordert verzoekster de terugbetaling van geldbedragen die zij aan geïntimeerde heeft geleend op grond van een schriftelijke overeenkomst uit 2001. De kantonrechter wees deze vordering af omdat de vordering nog niet opeisbaar was, ondanks dat de overeenkomst als dwingend bewijs werd erkend.

Verzoekster stelde in hoger beroep dat de vordering opeisbaar werd door het overlijden van hun moeder in februari 2023, conform een clausule in de overeenkomst. Het hof volgt de kantonrechter en wijst de vordering af omdat het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd was.

Daarnaast vordert verzoekster de verdeling van de nalatenschap van hun moeder. Partijen zijn erfgenamen en hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Het hof oordeelt dat de nalatenschap nog niet kan worden verdeeld omdat de vereffening niet is afgerond en de omvang van de nalatenschap nog onduidelijk is.

Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2017 en stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk 15 april 2025 een door beide partijen ondertekende boedelbeschrijving te overleggen en uiterlijk 10 juni 2025 een verslag van de vereffening. Het hof houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van de geldlening wordt afgewezen en partijen krijgen gelegenheid om de nalatenschap te vereffenen met een boedelbeschrijving en verslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.341.172
zaaknummer rechtbank (kantonrechter) 10720203
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eisende partij
hierna: [verzoekster]
advocaat: mr. M.J. Germs
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. K. Coenders-El Dahri

1.Het verder verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 29 oktober 2024. In dat tussenarrest heeft het hof met het oog op de mondelinge behandeling in hoger beroep het volgend beslist:
“3.4. Met het oog op wat hiervoor is overwogen zal het hof partijen bevelen om binnen twee weken na dagtekening van dit arrest de volgende bescheiden te overleggen (met kopie aan hun wederpartij):
- (in kopie) alle stukken die zij met betrekking tot de nalatenschap van hun moeder onder zich hebben of bij derden hebben ondergebracht, daaronder begrepen afschriften van alle bankrekeningen (spaar- en betaalrekeningen) en/of effectenrekeningen waartoe hun moeder (mede)gerechtigd was en aangiften en aanslagen inkomstenbelasting en erfbelasting. Deze stukken moeten zij desgevraagd op de mondelinge behandeling in origineel kunnen tonen;
- een verklaring van erfrecht met betrekking tot de nalatenschap van moeder;
- een uittreksel (per sterfdatum moeder) uit de openbare registers gehouden door het Kadaster waaruit blijkt of en zo ja tot welke onroerende en/of roerende registergoederen moeder was gerechtigd;
- een boedelbeschrijving die voldoet aan de daartoe bij de wet gestelde vereisten, dan wel, bij gebreke van een dergelijk boedelbeschrijving, een door elk van partijen opgestelde beschrijving van de bezittingen en schulden die moeder volgens die partij op de sterfdatum had met een waardering van die bezittingen en schulden;
- eventuele verdere bescheiden die partijen ter onderbouwing van hun stellingen zouden willen overleggen.”
1.2
Het verdere procesverloop in hoger beroep is als volgt:
- de akte uitlating overlegging stukken van [geïntimeerde] met een productie (productie 2);
de akte overlegging stukken van [verzoekster] met producties (producties 4 tot en met 8).
1.3
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaats gevonden op 25 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • [verzoekster] in persoon, bijgestaan door mr. Germs; en
  • [geïntimeerde] in persoon, bijgestaan door mr. Coenders-El Dahri.
Van het verhandelde op de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
1.4
Daarna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoekster] stelt dat zij blijkens een schriftelijke overeenkomst van 7 april 2001 in de periode van oktober 1999 tot en met januari 2000 aan [geïntimeerde] geldbedragen heeft geleend, dat [geïntimeerde] is gehouden die bedragen terug te betalen en dat [geïntimeerde] dat weigert. Zij heeft bij de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen als volgt:
2.2.
De kantonrechter heeft bij mondelinge uitspraak van 8 februari 2024 deze vorderingen afgewezen, omdat volgens de kantonrechter de vordering uit hoofde van de geldlening(en) nog niet opeisbaar is. De kantonrechter heeft wel het volgende vastgesteld:
Tegen het oordeel dat tussen partijen de schriftelijke overeenkomst dwingend bewijs oplevert dat de daarin genoemde bedragen door [verzoekster] aan [geïntimeerde] zijn uitgeleend, zijn geen grieven gericht.
2.3.
De bedoeling van het hoger beroep van [verzoekster] is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. Bovendien wil [verzoekster] ook dat de nalatenschap van de moeder van [verzoekster] en [geïntimeerde] wordt verdeeld. De moeder van [verzoekster] en [geïntimeerde] is op 6 februari 2023 overleden. [verzoekster] en [geïntimeerde] zijn haar erfgenamen. [verzoekster] heeft haar vorderingen in hoger beroep als volgt verwoord:
2.4
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Dat verweer komt hierna voor zover nodig bij de beoordeling van de vorderingen aan de orde.
Ter zake van de vorderingen in eerste aanleg
2.5
Het hof is, net als de kantonrechter, van oordeel dat de vorderingen van [verzoekster] zoals hierboven onder 2.1 weergegeven dienen te worden afgewezen. [verzoekster] stelt dat het door [geïntimeerde] uit hoofde van de in de overeenkomst van 7 april 2001 aan haar verschuldigde bedrag opeisbaar is omdat in artikel 3 van Pro die overeenkomst is afgesproken dat het geleende bedrag ineens opeisbaar is in geval van overlijden van de moeder van partijen. Dat artikel luidt als volgt:
Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over. Die overwegingen luiden als volgt:
2.6
[verzoekster] heeft eerst bij akte overlegging producties in hoger beroep bewijs aangeboden. Zij heeft daarbij aangegeven ter onderbouwing van haar stellingen niet over andere dan de bij die akte overgelegde bescheiden te beschikken. Zij heeft evenwel bewijs aangeboden van al haar stellingen, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, waaronder partijen. Het hof is van oordeel dat dat aanbod daarmee, bij deze stand van de procedure in hoger beroep, te weinig gespecificeerd is. [verzoekster] zal dan ook niet worden toegelaten tot het leveren van bewijs.
Ter zake van de gevorderde verdeling van de nalatenschap
2.7
Uit de door [geïntimeerde] na het tussenarrest van 29 oktober 2024 overgelegde productie 2 blijkt dat de nalatenschap van de moeder van partijen al op 28 februari 2023 door partijen is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Dat was nog niet eerder in de procedure door partijen naar voren gebracht. Partijen zijn daarom in beginsel samen verplicht om de nalatenschap als vereffenaars af te wikkelen volgens de regels van Afdeling 3 Titel 6 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zo bepaalt art. 4:195 lid Pro 1 e.v. BW. De benoeming van de vader van partijen tot executeur bij testament van de moeder van 20 januari 1997 blijft immers door het vooroverlijden van de vader zonder gevolg, zodat de uitzondering van art. 4:202 lid 1 aanhef Pro en onder a BW niet van toepassing kan zijn en de nalatenschap vereffend dient te worden. Voorts is niet gesteld dat de rechtbank een vereffenaar heeft benoemd zodat partijen als erfgenamen zelf dienen te vereffenen en wel tezamen (art. 4:198 BW Pro).
2.8
[geïntimeerde] heeft zich tegen de vordering tot verdeling verweerd. In de eerste plaats heeft hij betoogd dat [verzoekster] niet voor het eerst pas in hoger beroep verdeling kan vorderen. Dat betoog slaagt niet: partijen mogen in hoger beroep hun vordering in eerste aanleg wijzigen en/of aanvullen. In de tweede plaats heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat - kort gezegd - de omvang van de nalatenschap nog verre van vast staat, zodat de nalatenschap nu nog niet verdeeld kan worden. Dat is het hof met [geïntimeerde] eens: partijen twisten over de samenstelling en omvang van de nalatenschap van de moeder. Op de mondelinge behandeling is onder meer naar voren gekomen:
1) ook de nalatenschap van de vader moet nog worden afgewikkeld,
2) volgens [geïntimeerde] (hij noemt dat ‘om fiscale redenen’) was de overeenkomst van 7 april 2001 bedoeld om de uitkering/toeslagen van [verzoekster] niet in gevaar te brengen, hetgeen [verzoekster] betwist, waartoe zij stelt nimmer een uitkering te hebben gehad,
3) beide partijen hadden ‘toegang’ tot een andere rekening van de moeder en betichten elkaar ervan gelden te hebben verdonkeremaand,
4) er is nog geen aangifte inkomstenbelasting over het sterfjaar van de moeder gedaan en ook nog geen aangifte erfbelasting, omdat de moeder volgens partijen ‘nooit iets met de belasting te maken had’.
5) een boedelbeschrijving is nog niet opgesteld.
2.9
Anders dan [geïntimeerde] verbindt het hof daaraan niet het gevolg dat de vordering van [verzoekster] moet worden afgewezen. Het hof verbindt daaraan ook niet de conclusie - anders dan [verzoekster] doet met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939 [1] - dat de nalatenschap verdeeld kan worden hoewel de vereffening nog niet (formeel) is afgerond. De Hoge Raad geeft in dat arrest aan de rechter opdracht om - kort gezegd - zo nodig in het belang van de (eventuele) schuldeisers de vereffening te bewerkstelligen alvorens tot verdeling over te gaan. Daarom stelt het hof partijen in de gelegenheid om alsnog aan te tonen dat de vereffening van de nalatenschap van de moeder is voltooid. Het hof zal partijen in dat verband in de gelegenheid stellen om op na te noemen roldatum een door beide partijen ondertekende boedelbeschrijving van de nalatenschap (peildatum = sterfdatum moeder) over te leggen die voldoet aan de vereisten die art. 674 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daaraan stelt.
2.1
In dat kader zal het hof voorts partijen in de gelegenheid stellen om uiterlijk op na te noemen roldatum verslag uit te brengen van het verloop van de vereffening, daaronder begrepen de wijze waarop zij aan hun verplichtingen als vereffenaars, al dan niet op aanwijzing van de kantonrechter (art. 4:210 BW Pro), invulling hebben gegeven.
2.11
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3.De beslissing

Het hof:
3.1
stelt partijen in de gelegenheid de in rechtsoverweging 2.9 bedoelde boedelbeschrijving over te leggen en wel uiterlijk op roldatum 15 april 2025;
3.2
stelt partijen in de gelegenheid het in rechtsoverweging 2.10 bedoelde verslag uit te brengen en wel uiterlijk op roldatum 10 juni 2025;
3.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, M.L. van der Bel en M.E.L. Klein, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.