Uitspraak
1.Het verder verloop van de procedure in hoger beroep
- [verzoekster] in persoon, bijgestaan door mr. Germs; en
- [geïntimeerde] in persoon, bijgestaan door mr. Coenders-El Dahri.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak vordert verzoekster de terugbetaling van geldbedragen die zij aan geïntimeerde heeft geleend op grond van een schriftelijke overeenkomst uit 2001. De kantonrechter wees deze vordering af omdat de vordering nog niet opeisbaar was, ondanks dat de overeenkomst als dwingend bewijs werd erkend.
Verzoekster stelde in hoger beroep dat de vordering opeisbaar werd door het overlijden van hun moeder in februari 2023, conform een clausule in de overeenkomst. Het hof volgt de kantonrechter en wijst de vordering af omdat het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd was.
Daarnaast vordert verzoekster de verdeling van de nalatenschap van hun moeder. Partijen zijn erfgenamen en hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Het hof oordeelt dat de nalatenschap nog niet kan worden verdeeld omdat de vereffening niet is afgerond en de omvang van de nalatenschap nog onduidelijk is.
Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2017 en stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk 15 april 2025 een door beide partijen ondertekende boedelbeschrijving te overleggen en uiterlijk 10 juni 2025 een verslag van de vereffening. Het hof houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van de geldlening wordt afgewezen en partijen krijgen gelegenheid om de nalatenschap te vereffenen met een boedelbeschrijving en verslag.