De terbeschikkinggestelde werd aanvankelijk veroordeeld tot een terbeschikkingstelling (TBS) vanwege ernstige zedendelicten, waaronder verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Na beëindiging van de verpleging van overheidswege in 2021 en het formele einde van de maatregel in mei 2024, heeft de rechtbank de verlenging van de TBS afgewezen.
Na deze beslissing kwam aan het licht dat de terbeschikkinggestelde tijdens de TBS is teruggevallen in middelengebruik, urinecontroles heeft gesaboteerd en in april 2024 opnieuw een strafbaar feit pleegde waarbij een kwetsbare hoogbejaarde vrouw slachtoffer was. De terbeschikkinggestelde erkent deze feiten en geeft aan onder invloed van cocaïne te zijn geweest.
De reclassering en psycholoog rapporteren een antisociale persoonlijkheidsstoornis en middelenstoornissen, en schatten het recidivegevaar inmiddels als hoog in. De terbeschikkinggestelde heeft geen geschikte verblijfplaats en is niet in staat zelfstandig te wonen zonder begeleiding. Het hof concludeert dat verlenging van de maatregel noodzakelijk is voor de veiligheid van de samenleving.
Het hof weegt de belangen van de terbeschikkinggestelde tegen die van de maatschappij en oordeelt dat ondanks de lange duur van de maatregel (ruim zeventien jaar), verlenging proportioneel is vanwege de ernst van de indexdelicten, de stoornissen en het hoge recidivegevaar. De terbeschikkingstelling wordt daarom met twee jaar verlengd.