De betrokkene werd als kentekenhouder gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 26 augustus 2022. De kantonrechter matigde de oorspronkelijke sanctie van €350,- tweemaal met 25%, vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn van berechting, waardoor het sanctiebedrag uitkwam op €196,88.
De gemachtigde van de betrokkene voerde in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging ontkende en dat de matigingen cumulatief toegepast hadden moeten worden, wat zou leiden tot een matiging van 50%. Het hof oordeelde dat de enkele ontkenning onvoldoende is om twijfel te zaaien over de vastgestelde feiten en dat de situatie niet vergelijkbaar is met eerdere jurisprudentie waarop de gemachtigde zich baseerde.
Het hof stelde vast dat de kantonrechter beide matigingsgronden correct en cumulatief had toegepast door het sanctiebedrag tweemaal met 25% te verlagen. Het verzoek om verdere matiging en proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest bevestigt daarmee de beslissing van de kantonrechter en handhaaft het sanctiebedrag van €196,88.