ECLI:NL:GHARL:2025:1353

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
10 maart 2025
Zaaknummer
P24/382
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering tot alsnog TBS-verpleging

De terbeschikkinggestelde was bij vonnis van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf en een terbeschikkingstelling met voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar werd verklaard en inging op 13 augustus 2024. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld, waardoor de strafzaak nog niet onherroepelijk is.

Ondanks het hangende hoger beroep diende de officier van justitie een vordering in om de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege te laten verplegen. De rechtbank Rotterdam wees deze vordering toe, maar de terbeschikkinggestelde ging hiertegen in beroep bij het hof.

Op 26 november 2024 deed de Hoge Raad uitspraak in cassatie in het belang der wet, waarin werd geoordeeld dat het niet juist is dat de executierechter kan beslissen tot alsnog verpleging terwijl de dadelijk uitvoerbaar verklaarde TBS met voorwaarden nog niet onherroepelijk is. Gelet op deze uitspraak vernietigt het hof de beslissing van de rechtbank en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot alsnog verpleging van de terbeschikkinggestelde.

Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot alsnog verpleging van de terbeschikkinggestelde.

Uitspraak

TBS P24/382
Beslissing van 6 februari 2025
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
verblijvende in penitentiaire inrichting [plaats] ,
verder te noemen de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2024. Deze beslissing houdt in dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.
Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van 28 oktober 2024 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
- de vordering gevangenneming ten aanzien van de terbeschikkinggestelde van 28 januari 2025 en het daaropvolgende bevel gevangenneming van het gerechtshof Den Haag van 4 februari 2025.
Het hof heeft ter zitting van 6 februari 2025 gehoord de advocaat-generaal, mr. R. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam.

Overwegingen

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2024 is aan de terbeschikkinggestelde een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden en een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. De terbeschikkingstelling met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar verklaard. De terbeschikkingstelling is ingegaan op 13 augustus 2024. De terbeschikkinggestelde heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis, waardoor in de strafzaak nog niet onherroepelijk is beslist. Hangende het hoger beroep heeft de officier van justitie een vordering tot alsnog verplegen van overheidswege ingediend. Die vordering is door de rechtbank toegewezen. De terbeschikkinggestelde is tegen die beslissing in beroep gegaan. Dit beroep ligt nu aan het hof voor.
Op 26 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2024:1729). Die beslissing houdt onder meer in dat “het oordeel van het hof (…) dat erop neerkomt dat de (executie)rechter de beslissing kan nemen dat de verdachte alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, terwijl de dadelijk uitvoerbaar verklaarde TBS met voorwaarden nog niet onherroepelijk is, onjuist is.”
De raadsman en de advocaat-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot alsnog verpleging van overheidswege.
Gelet op de inhoud van voornoemd arrest van de Hoge Raad zal het hof de beslissing van de rechtbank waartegen het beroep zich richt vernietigen en de officier van justitie
niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering inhoudende dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigtde beslissing van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2024 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde
[terbeschikkinggestelde].
Verklaart de
officier van justitie niet-ontvankelijkin zijn vordering inhoudende dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd.
Aldus gedaan door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. W.A. Holland, raadsheren,
en drs. A.W.T.M. Vissers en dr. W.J. Canton, raden,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
en op 6 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.