ECLI:NL:GHARL:2025:1274

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
TBS P24/004
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 509a SvArt. 509c SvArt. 509d SvArt. 495b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging terbeschikkingstelling ondanks lange wachttijd op klinische behandeling

De terbeschikkinggestelde had beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank tot verlenging van zijn terbeschikkingstelling met twee jaar. Hij wachtte al 2,5 jaar op plaatsing in een forensisch psychiatrisch centrum en vroeg om onderzoek naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof oordeelde dat het verzoek prematuur was omdat er geen deugdelijke psychiatrische en psychologische rapportages beschikbaar waren die de haalbaarheid van een voorwaardelijke beëindiging konden onderbouwen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de rechtbank en benadrukte dat de plaatsingspogingen onverminderd moeten worden voortgezet.

Daarnaast stelde het hof vast dat de behandeling van het beroep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, wat een schending van artikel 5 EVRM Pro opleverde. Deze vertraging werd veroorzaakt doordat de terbeschikkinggestelde aanvankelijk geen advocaat wilde. Het hof vond dat deze verdragsschending voldoende was gecompenseerd met de vaststelling en verbond hieraan geen verdere consequenties.

De terbeschikkingstelling werd dus verlengd en het verzoek tot onderzoek naar voorwaardelijke beëindiging afgewezen, waarbij het hof de belangen van de terbeschikkinggestelde en de noodzaak van klinische behandeling voorop stelde.

Uitkomst: De verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt bevestigd en het verzoek tot onderzoek naar voorwaardelijke beëindiging afgewezen.

Uitspraak

TBS P24/004
Beslissing van 13 februari 2025
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[de terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1996,
verblijvende in [verblijfplaats] ,
verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 29 november 2023. Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
  • de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2022 waarbij zij heeft bevolen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd;
  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van 13 december 2023 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
  • de processen-verbaal van dit hof van 23 mei 2024, 25 juli 2024, 10 oktober 2024 en 19 december 2024;
  • de stukken die betrekking hebben op (het afgeven van) een Last tot aanwijzing (opvolgend) raadsman als bedoeld in de artikelen 509a en 509c van het Wetboek van Strafvordering;
  • het verlengingsadvies van Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek] van 26 september 2024;
  • het e-mailbericht van [naam] , selectiefunctionaris Divisie Individuele Zaken, van 28 januari 2025;
  • de aanvullende informatie van FPC [kliniek] van 29 januari 2025.
Het hof heeft ter zitting van 30 januari 2025 gehoord de advocaat-generaal, mr. R. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, op de voet van een aanwijzing door het hof op grond van de artikelen 509a en 509c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp. De behandeling heeft op de voet van de artikelen 509d jo. 495b Sv plaatsgevonden met gesloten deuren.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
De terbeschikkinggestelde wacht al 2,5 jaar op plaatsing in een kliniek en de behandeling is daarom nog steeds niet begonnen. Dit is schandalig lang. Ondanks alle tegenslagen is de terbeschikkinggestelde nog steeds gemotiveerd. Bij oplegging van de maatregel is een terbeschikkingstelling met voorwaarden passend geacht. Het is de vraag of een lager beveiligingsniveau nog steeds tot de mogelijkheden behoort. De raadsman heeft daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te onderzoeken.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft verzocht de terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van twee jaar. Er is nog steeds sprake van een stoornis en zonder de terbeschikkingstelling is sprake van recidivegevaar. Het is zeer onwenselijk dat de terbeschikkinggestelde nog steeds niet in FPC [kliniek] is geplaatst en niet de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Toch is het in zijn belang dat hij wel eerst deze klinische behandeling ondergaat voordat volgende stappen gezet kunnen worden. Op dit moment is het nog te vroeg voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
Het oordeel van het hof
Afwijzing verzoek
Het hof acht zich op basis van de aanwezige informatie voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingediende beroep. Het verzoek tot het door de reclassering doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wordt afgewezen. De noodzakelijkheid van dit onderzoek is, ook gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet gebleken. Het hof acht het onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege op dit moment prematuur.
Bevestiging
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden bevestigen.
Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de terbeschikkinggestelde onwenselijk lang, op dit moment al 2,5 jaar, moet wachten op plaatsing in een kliniek en op behandeling. Hoewel de terbeschikkinggestelde op dit moment bovenaan de wachtlijst staat, is nog steeds niet bekend wanneer hij geplaatst kan worden in FPC [kliniek] . Het hof acht dit zeer schrijnend.
Het hof begrijpt in dat verband het verzoek van de raadsman om de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te onderzoeken. Het hof acht echter een dergelijk onderzoek pas aan de orde nadat kan worden beschikt over een deugdelijke psychiatrische en psychologische rapportage waarin aandacht wordt besteed aan de haalbaarheid van de door de raadsman geopperde optie. Zo’n rapportage is op dit moment niet voorhanden, maar zal in de tweede helft van dit jaar ten behoeve van een volgende verlengingsprocedure worden opgemaakt door twee externe gedragsdeskundigen.
Het hof acht het van belang dat deze deskundigen zich daarbij uitdrukkelijk uitlaten over de vragen:
  • waar de terbeschikkinggestelde het beste geplaatst kan worden voor een passende behandeling en resocialisatie;
  • of de behandeling kan plaatsvinden op een lager beveiligingsniveau, bijvoorbeeld in een Forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of Forensisch psychiatrische afdeling (FPA);
  • of de behandeling in het kader van een verpleging van overheidswege dient te worden voortgezet dan wel of deze voorwaardelijk kan worden beëindigd.
Mochten de deskundigen mogelijkheden zien voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege dan ware ten behoeve van die verlengingsprocedure tijdig de reclassering daarbij te betrekken.
Het hof benadrukt dat de pogingen tot plaatsing van de terbeschikkinggestelde in FPC [kliniek] onverminderd moeten worden voortgezet.
Redelijke termijn
Zowel artikel 6:6:17 van Pro het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de rechter (in beroep) van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Het hof dient zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te beslissen op het beroep. Deze inspanningsverplichting dwingt tot een grotere mate van voortvarendheid dan waarvan in deze zaak is gebleken. Het hof is van oordeel dat in dit geval van een spoedige behandeling van het beroep geen sprake is geweest en dat artikel 5, vierde lid, van het EVRM in zoverre is geschonden. Het hof doet immers pas 14 maanden na het instellen van het beroep uitspraak.
De vertraging is veroorzaakt doordat de terbeschikkinggestelde in hoger beroep geen bijstand (meer) wilde van een advocaat. Dat is echter bij de behandeling van de verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet mogelijk. Het hof heeft hem in de gelegenheid gesteld zelf een advocaat te zoeken. Toen de terbeschikkinggestelde dit niet deed, heeft het hof een advocaat aan de terbeschikkinggestelde toegevoegd op grond van de artikelen 509a en 509c van het Wetboek van Strafvordering. Als gevolg hiervan heeft de inhoudelijke behandeling van het beroep lange tijd op zich laten wachten. Het hof betreurt deze gang van zaken.
Het hof is echter gelet op de reden van de vertraagde behandeling van oordeel dat de vaststelling dat in deze zaak sprake is van een verdragsschending, voldoende compensatie biedt voor die verdragsschending, zodat hier verder geen consequentie aan verbonden zal worden.

BESLISSING

Het hof:
Wijst afhet verzoek tot het onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
Bevestigtde beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van
29 november 2023 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde,
[de terbeschikkinggestelde] .
Aldus gedaan door
mr. G. Mintjes, voorzitter,
mr. W.A. Holland en mr. E.A.K.G. Ruys, raadsheren,
en drs. R.A. Graaff en dr. K.J. de Wijs-Heijlaerts, raden,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en op 13 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Mr. E.A.K.G. Ruys en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.