Appellanten, voormalige leden van de Oud Gereformeerde Gemeente, waren het niet eens met de door de kerkenraad opgelegde maatregel van stille censuur wegens vermeend intiem contact met een gehuwde vrouw binnen de kerk. Na opzegging van het lidmaatschap en een verzoek tot herintreding, waarbij de kerk een openbare schuldbelijdenis als voorwaarde stelde, vorderden zij bij de rechtbank vernietiging van deze besluiten en toelating als lid.
De rechtbank wees deze vorderingen af, waarna appellanten hoger beroep instelden. Het hof bevestigt het vonnis en benadrukt dat de burgerlijke rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van interne kerkelijke besluiten, mede vanwege het beginsel van scheiding tussen kerk en staat en de eigen statuten van kerkgenootschappen.
Hoewel het hof oordeelt dat de procedure rond de oplegging van de stille censuur niet volledig zorgvuldig volgens kerkelijk recht is verlopen, kan dit appellanten niet baten omdat zij hun lidmaatschap hebben opgezegd en daarmee de mogelijkheid tot kerkelijk beroep hebben afgesneden.
Het besluit tot niet-toelating als lid wordt beoordeeld aan de hand van de latere kerkorde (DKO 2021), waarbij de kerk een ruime vrijheid toekomt om voorwaarden te stellen. Het hof ziet geen grond voor nietigheid of vernietiging van dat besluit. De vorderingen worden afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de proceskosten.