Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:125

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
200.332.163
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake betaling en verrekening van facturen tussen HDM en Addink Distributie

In deze civiele procedure staat een geschil tussen HDM N.V. en Addink Distributie B.V. centraal over de betaling van facturen uit 2019 en 2022. HDM stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin zij deels in het ongelijk werd gesteld.

Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat het hoger beroep van HDM geen doel treft, terwijl het incidenteel hoger beroep van Addink grotendeels slaagt. De rechtbank had een bedrag van € 17.745 toegewezen aan HDM, maar dit wordt door het hof afgewezen. De vordering van Addink tot betaling van € 10.397,55 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 28 juni 2019 wordt toegewezen.

Daarnaast blijft de veroordeling van HDM tot betaling van onbetaalde facturen over 2022 ad € 36.672,44 in stand, inclusief de wettelijke handelsrente, omdat HDM heeft afgezien van bewijslevering. Het hof veroordeelt HDM ook tot betaling van proceskosten bij zowel de rechtbank als in hoger beroep, waarbij de kosten voor de laatste akte van Addink voor haar eigen rekening blijven.

Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het in conventie en reconventie is gewezen en doet opnieuw recht met betrekking tot de vorderingen en kostenveroordelingen.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van Addink tot betaling van onbetaalde facturen uit 2019 toe en veroordeelt HDM tot betaling van deze bedragen met rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.332.163
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 412169
arrest van 14 januari 2025
in de zaak van
HDM N.V.
die is gevestigd in Peer (België)
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie
hierna: HDM
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk
tegen
Addink Distributie B.V.
die is gevestigd in Zutphen
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie
hierna: Addink
advocaat: mr. R.H.P. van de Venne.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Op 22 oktober 2024 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Vervolgens heeft Addink in een akte meegedeeld dat zij afziet van bewijslevering. Daarna is opnieuw arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1
Uit het tussenarrest blijkt dat het hoger beroep van HDM geen doel treft. Ook blijkt uit dat arrest dat het (incidenteel) hoger beroep van Addink grotendeels slaagt. Het bedrag van € 17.745 dat door de rechtbank op de vordering van HDM is toegewezen zal alsnog worden afgewezen. De vordering van Addink tot betaling van € 10.397,55 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 28 juni 2019, voor onbetaalde (delen van) facturen uit 2019 is toewijsbaar. Ook blijkt uit dat arrest dat de veroordeling van HDM door de rechtbank tot betaling van de niet betaalde facturen over 2022 ad € 36.672,44 in stand blijft. Addink is in verband met de door haar gevorderde wettelijke handelsrente over laatst genoemd bedrag in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat HDM de onbetaald gebleven facturen uit 2022 heeft ontvangen. Aangezien HDM heeft afgezien van bewijslevering, is dat niet komen vast te staan. Daarom blijft ook de veroordeling tot betaling van wettelijke handelsrente vanaf de dag na die waarop de eis in reconventie is ingesteld in stand en faalt het hoger beroep van Addink in zoverre.
2.2
In het tussenarrest is verder al overwogen dat HDM de meest in het ongelijk gestelde partij is en daarom de kosten van de procedure bij de rechtbank en die van het hoger beroep moet dragen. De kosten voor de laatste akte van Addink blijven echter voor haar rekening. Addink heeft ten aanzien van haar oorspronkelijke vorderingen wel uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd, wat het hof zal toewijzen. In hoger beroep is dat niet gevorderd, zodat de proceskostenveroordeling in hoger beroep niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
2.3
Een en ander leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

Het hof
3.1
vernietigt het vonnis van rechtbank Gelderland (zittingsplaats Zutphen) van 28 juni 2013, voor zover dat is gewezen in conventie (dictum onder 4.1 tot en met 4.5) en voor zover in reconventie voor recht is verklaard dat HDM mag verrekenen (dictum onder 4.8) en voor zover de vordering tot betaling van de facturen uit 2019 is afgewezen (deel van dictum onder 4.10), en doet in zoverre opnieuw recht:
3.1.1
wijst af de vorderingen van HDM;
3.1.2
veroordeelt HDM tot betaling aan Addink van € 10.397,55, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 28 juni 2019 tot aan de dag van betaling;
3.1.3
veroordeelt HDM tot betaling van de proceskosten van Addink bij de rechtbank in conventie, bestaande uit
  • € 5.737,- griffierecht;
  • € 5.290,- (2 procespunten x tarief € 2.645,-) salaris advocaat Addink;
3.2
bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige (dictum onder 4.6, 4.7, 4.9 en het restant van dictum onder 4.10);
3.3
veroordeelt HDM tot betaling van de proceskosten van Addink in hoger beroep, bestaande uit
  • € 5.689,- griffierecht;
  • € 8.856,- (2 punten x tarief € 4.428) salaris advocaat Addink;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarin opgenomen veroordelingen in 3.1.2 en 3.1.3.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, H.E. de Boer en V. van der Kuil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025