De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die de omgangsregeling met haar minderjarige kind heeft gewijzigd. De minderjarige verblijft sinds 2015 bij pleegouders en het ouderlijk gezag is beëindigd, waarbij een voogd is benoemd.
De rechtbank had bepaald dat de omgang onder begeleiding eenmaal per zes weken plaatsvindt, met een duur van minimaal een kwartier tot anderhalf uur, waarbij de regie bij de begeleidende instantie en voogd ligt. De moeder verzocht om een frequentere omgang van eenmaal per vier weken.
Het hof oordeelt dat de gewijzigde omgangsregeling passend is in het belang van de minderjarige, gezien de kwetsbaarheid van de moeder en de noodzaak van voorzichtigheid. De omgangsmomenten zijn tot nu toe goed verlopen en het hof benadrukt het belang van openheid over de mentale gezondheid van de moeder om het contact te verbeteren. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de moeder af.