Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:7616

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
10 december 2024
Zaaknummer
200.332.586
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 LPRArt. 8.3 LPRArt. 1.12 LPRArt. 133 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof wijst incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid af en hervat civiele procedure

In deze civiele procedure in hoger beroep hebben appellanten een wijziging van eis betekend nadat zij aanvankelijk verstek hadden gekregen tegen geïntimeerden. Geïntimeerden stelden vervolgens dat appellanten niet-ontvankelijk waren omdat zij de memorie van grieven niet tijdig hadden genomen, en dat de procedure ten onrechte ambtshalve was doorgehaald.

Het hof oordeelt dat de ambtshalve doorhaling van de procedure op grond van artikel 2.20 van het Landelijk procesreglement terecht heeft plaatsgevonden vanwege het niet honoreren van het uitstelverzoek en het ontbreken van een gemotiveerde uitzondering. Het standpunt van geïntimeerden dat het recht tot het indienen van memorie van grieven definitief was vervallen wordt verworpen.

Vervolgens heeft appellanten het verzoek gedaan tot hervatting van de procedure, waarbij het hof constateert dat het verzoek niet tijdig aan het hof is toegezonden, maar dat dit verzuim niet leidt tot niet-ontvankelijkheid. Het hof wijst de vordering van geïntimeerden af, veroordeelt hen in de proceskosten en bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid af en hervat de civiele procedure in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.332.586/02
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen 9890937
arrest in het incident van 10 december 2024
in de zaak van

1.De Leigraaf Holding B.V.

die is gevestigd in Oeffelt

2. Leigraaf Transport B.V.

die is gevestigd in Oeffelt

3. [appellant3]

die woont in [woonplaats1]

4. [appellante4]

die woont in [woonplaats1]

5. [appellant5]

die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld en verweer voeren in het incident
en bij de kantonrechter optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie
hierna samen: [appellanten]
advocaat: mr. W.B. Brusse
tegen

1.DL Agro Logistics B.V.

die is gevestigd in Nijmegen
2. [geïntimeerde2]handelend onder de naam
[naam1]
die woont in [woonplaats2]
die een eis in het incident hebben ingesteld
en die bij de kantonrechter optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie
hierna samen: [geïntimeerden]
advocaat: mr. G.J.G. Olijslager

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
In het tussenarrest van 3 september 2024 [1] zijn [appellanten] in de gelegenheid gesteld alsnog de wijziging van eis aan [geïntimeerden] , die destijds in hoger beroep niet waren verschenen, te (doen) betekenen. Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de akte overlegging exploit betekening wijziging van eis met productie
  • het H2-formulier van mr. Olijslager (stelbericht)
  • de incidentele memorie tot verval van recht en niet-ontvankelijkheid met producties van mr. Olijslager
  • de antwoord memorie van mr. Brusse

2.Het geschil in deze incidentele procedure

2.1.
Nadat [appellanten] het afschrift van het arrest van 3 september 2024 en de memorie van grieven tevens houdende een wijziging van eis aan [geïntimeerden] hebben betekend, heeft mr. Olijslager zich op de rol van 1 oktober 2024 gesteld voor [geïntimeerden] Daarmee is het verstek van [geïntimeerden] gezuiverd.
2.2.
[geïntimeerden] hebben vervolgens een incidentele memorie tot verval van recht en niet-ontvankelijkheid ingediend. Volgens [geïntimeerden] is het recht van [appellanten] tot het indienen van memorie van grieven vervallen, omdat zij geen memorie van grieven hebben genomen op de daartoe aangewezen roldatum. Ten onrechte is de procedure op die roldatum ambtshalve geroyeerd. Volgens [geïntimeerden] zijn [appellanten] daarom niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. Volgens [appellanten] hebben zij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de procedure te hervatten nadat die ambtshalve is doorgehaald. Er is volgens hen geen reden om hen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren of om hen alsnog achteraf het recht op het nemen van memorie van grieven te ontzeggen.

3.Het oordeel van het hof

De ambtshalve doorhaling van de procedure
3.1.
[appellanten] hebben [geïntimeerden] in hoger beroep gedagvaard tegen de roldatum van 26 september 2023. Die procedure is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.332.586/01. Op 26 september 2023 is verstek verleend tegen [geïntimeerden] en is de procedure naar de roldatum van 7 november 2023 verwezen voor het nemen van memorie van grieven door [appellanten] hebben vervolgens driemaal uitstel gekregen voor het nemen van memorie van grieven, zodat de procedure uiteindelijk op de roldatum van 16 januari 2024 voor het nemen van memorie van grieven stond.
3.2.
Op 10 januari 2024 hebben [appellanten] nogmaals uitstel van vier weken verzocht voor het nemen van memorie van grieven. Dat verzoek is door het hof afgewezen. Ingevolge artikel 2.20 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: het procesreglement) wordt door partijen bij een tweede en volgend eenstemmig verzoek om uitstel tevens gemotiveerd waarom de procedure voor doorhaling niet in aanmerking komt. Het artikel bepaalt daarnaast dat als een tweede of volgend eenstemmig verzoek van partijen niet wordt gehonoreerd zonder dat een rolverwijzing volgt, de zaak ambtshalve wordt doorgehaald.
3.3.
Omdat het laatste verzoek om uitstel door het hof niet is gehonoreerd, terwijl tegen [geïntimeerden] verstek is verleend en niet is gemotiveerd waarom de procedure niet voor doorhaling in aanmerking komt, is het hof gelet op het bepaalde in artikel 2.20 van het procesreglement op de roldatum van 16 januari 2024 overgegaan tot ambtshalve doorhaling van de procedure. Het standpunt van [geïntimeerden] dat het hof op grond van artikel 1.12 van het procesreglement en artikel 133 lid 4 Rv Pro had moeten vaststellen dat het recht om van grieven te dienen was vervallen en de zaak naar de rol had moeten verwijzen voor arrest wordt, onder verwijzing naar het voorgaande, dus niet gevolgd.
De hervatting van de procedure
3.4.
Artikel 8.3 van het procesreglement bepaalt dat iedere partij na een (ambtshalve) doorhaling kan verzoeken de procedure op een bepaalde roldatum te hervatten. De partij die hervatting verzoekt, zendt het verzoek uiterlijk twee weken voor deze roldatum aan het hof en aan de wederpartij. Als de partij die om hervatting verzoekt, een proceshandeling dient te verrichten, voegt deze partij bij het verzoek een kopie van de te nemen memorie of akte. [appellanten] hebben in eerste instantie op 22 februari 2024 om hervatting van de procedure verzocht tegen de roldatum van 5 maart 2024. Het hof heeft dat verzoek niet ingewilligd, omdat [appellanten] niet
uiterlijk twee wekenvoor de roldatum van 5 maart 2024 het verzoek aan het hof hebben toegezonden. Vervolgens hebben [appellanten] op 12 maart 2024 om hervatting van de procedure verzocht tegen de roldatum van 2 april 2024, op welke datum zij conform artikel 8.3 van het procesreglement ook memorie van grieven genomen hebben. Omdat zich op 2 april 2024 niemand voor [geïntimeerden] heeft gesteld, is op die datum daarnaast tegen [geïntimeerden] verstek verleend.
3.5.
[geïntimeerden] verwijten [appellanten] dat zij [geïntimeerden] niet uiterlijk twee weken voor 2 april 2024 het verzoek tot hervatting hebben toegezonden, zoals dat op grond van artikel 8.3 van het procesreglement voorgeschreven is. In het verzoek tot hervatting van [appellanten] is vermeld dat zij de wederpartij hebben geïnformeerd over het verzoek tot hervatting. De aanzegging aan de wederpartij is echter niet bij het verzoek gevoegd, zodat het hof niet kan nagaan of de aanzegging aan de bepaling uit het procesreglement voldoet. Het hof overweegt echter dat een onjuiste of achterwege gebleven aanzegging niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in hun hoger beroep. In dit geval verbindt het hof aan een dergelijk (eventueel) verzuim bovendien geen andere consequenties. De memorie van grieven is uiteindelijk betekend ten gevolge van het arrest van 3 september 2024. Daarmee zijn [geïntimeerden] alsnog op de hoogte geraakt van de hervatting van de procedure. Een nieuwe doorhaling van de procedure met het oog op herstel door [appellanten] om [geïntimeerden] alsnog op de juiste wijze op de hoogte te brengen van de hervatting zou de procedure dan ook alleen vertragen, terwijl het hof niet inziet welk belang [geïntimeerden] daarbij zouden hebben.
De conclusie
3.6.
Het hof wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af. Omdat [geïntimeerden] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten in het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [2]
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 1.821,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (1,5 procespunten x appeltarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M.H.F. van Vugt en M. Wallart, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.

Voetnoten

1.GHARL 3 september 2024,
2.HR 10 juni 2022,