ECLI:NL:GHARL:2024:6201

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 oktober 2024
Publicatiedatum
7 oktober 2024
Zaaknummer
Wahv 200.338.724/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor snelheidsoverschrijding bij wegwerkzaamheden ondanks afwezigheid werkzaamheden

De betrokkene werd beboet voor het overschrijden van de maximumsnelheid met 22 km/u op een wegvak met een bord dat wegwerkzaamheden aangeeft. De betrokkene betwistte de aanwezigheid van wegwerkzaamheden ten tijde van de overtreding en beriep zich op een interne werkinstructie die een lagere sanctie voorschrijft als er geen werkzaamheden plaatsvinden.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en het gerechtshof bevestigt deze beslissing. Het hof stelt dat voor de vaststelling van de gedraging niet relevant is of daadwerkelijk werd gewerkt, maar of de bebording aanwezig was. De ambtenaar verklaarde dat het bord J16 duidelijk zichtbaar was en dat de rechterzijde van de weg volledig was afgezet met geleidebakens.

De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen. De interne werkinstructie kan niet leiden tot een lagere sanctie omdat de wettelijke bepalingen en de aanwezigheid van de bebording doorslaggevend zijn.

Uitkomst: De boete van €270 voor snelheidsoverschrijding bij wegwerkzaamheden wordt bevestigd ondanks het ontbreken van daadwerkelijke werkzaamheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.724/01
CJIB-nummer
: 250222385
Uitspraak d.d.
: 7 oktober 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 21 februari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 270,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 22 km/h (verkeersbord A1 + wegwerk)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 juni 2022 om 10.41 uur op de Loevesteinse Randweg op Schiphol met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene brengt naar voren dat de betrokkene niet de gemeten snelheid betwist, maar ontkent de maximumsnelheid te hebben overschreden bij wegwerkzaamheden. Ten tijde van de gedraging vonden er geen wegwerkzaamheden plaats. De ambtenaar heeft hieromtrent niets verklaard. Indien uit de gegevens niet blijkt dat wegwerkzaamheden plaatsvonden, dient op basis van de “Werkinstructie snelheid - Wegwerkzaamheden” van het Parket CVOM, versie
1 februari 2018 een lager sanctiebedrag te worden vastgesteld. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat het al dan niet aanwezig zijn van wegwerkzaamheden ten tijde van de gedraging niet ter zake doet en de afwezigheid van wegwerkzaamheden niet is onderbouwd dan wel aannemelijk is gemaakt. De beschikbare gegevens zijn ontoereikend om de gedraging te kunnen vaststellen, aldus de gemachtigde.
3. De advocaat-generaal heeft een proces-verbaal d.d. 6 juli 2024 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar:
“Op donderdag 02 juni 2022, omstreeks 10:40 uur, bevonden wij, (…), ons, op de luchthaven Schiphol (…). Op bovengenoemde dag en tijd waren wij, verbalisanten, bezig met een snelheidscontrole op de Loevesteinse Randweg op de luchthaven Schiphol. (…) Ten tijde van deze controle waren er wegwerkzaamheden op deze weg. (…) Aanvullend bij dit proces-verbaal is een situatieschets gemaakt ter ondersteuning. Bij aanvang van deze controle hebben wij, verbalisanten, de Loevesteinse Randweg afgereden. Hierbij zagen wij dat het bord J16 geplaatst was in het begin van deze weg (…). Wij, verbalisanten, zagen dat dit bord duidelijk zichtbaar was en aan de rechterzijde van de weg geplaatst was. Tevens zagen wij dat de rechterwegzijde volledig afgezet was met geleidebakens waar de wegwerkzaamheden waren. Ten tijde van de snelheidscontrole vonden er geen daadwerkelijke werkzaamheden of gevaarlijk zettende elementen plaats.”
4. Voor de vaststelling dat de onderhavige gedraging is verricht, is het niet relevant of ten tijde van de gedraging daadwerkelijk wegwerkzaamheden werden verricht. Wel is van belang of de relevante bebording aanwezig was (vgl. het arrest van het hof van 11 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3075). De ambtenaar heeft in voormeld proces-verbaal verklaard dat dat ten tijde van de gedraging een bord J16 (werk in uitvoering) als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst. Nu een bord J16 van kracht was voor het wegvak waar de snelheidsoverschrijding is verricht, is de snelheidsoverschrijding verricht “bij wegwerkzaamheden” (vgl. het arrest van het hof van 16 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:338). Of er ten tijde van de gedraging daadwerkelijk werd gewerkt, kan in het midden blijven. Het al dan niet daadwerkelijk verrichten van wegwerkzaamheden doet niet af aan de gelding van een snelheidsbord en het bord dat wegwerkzaamheden aangeeft. Het enkele feit dat verkeerstekens zijn geplaatst, verplicht de weggebruiker om zijn rijgedrag daarop af te stemmen (vgl. het arrest van het hof van 2 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3188). De kantonrechter heeft dan ook terecht overwogen dat niet ter zake doet dat er op het moment van de gedraging (wellicht) geen wegwerkzaamheden werden uitgevoerd.
5. De advocaat-generaal brengt naar voren dat werkinstructie waarop de gemachtigde zich beroept geldig was tot 1 september 2022. In deze instructie is opgenomen dat de feitcode moet worden gewijzigd als blijkt dat er ten tijde van de gedraging geen gevaarscheppende elementen waren en er niet werd gewerkt.
6. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt - daargelaten of de gemachtigde zich kan beroepen op een interne werkinstructie - dat de rechterzijde van de weg volledig was afgezet met geleidebakens. Het beroep op voornoemde instructie faalt.
7. Het hof zal - gelet op het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal en de uitgebreidere motivering - de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van de gronden. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. Het hof komt nu een proceskostenvergoeding niet aan de orde is niet toe aan de grond van de gemachtigde dat de in artikel 13a, vijfde lid (het hof begrijpt: derde en vierde lid) van de Wahv neergelegde maatregel onverbindend is.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van de gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.