De man en vrouw zijn in 2005 getrouwd en hebben vier minderjarige kinderen met dubbele nationaliteit (Nederlands en Israëlisch). Na hun scheiding wonen drie kinderen in Nederland bij de vrouw en één in Israël bij de man. De vrouw verzocht bij de rechtbank om voorlopige kinderalimentatie voor drie kinderen.
De rechtbank wees de man op zijn verplichting tot betaling van € 349 per kind per maand vanaf 1 maart 2024. De man stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, met als grief dat de rechtbank het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden door een brief van de vrouw niet buiten beschouwing te laten.
Het hof oordeelde dat de vrouw schriftelijk mocht reageren op het verweerschrift van de man en dat de rechtbank terecht de producties van de vrouw buiten beschouwing liet omdat de man geen gelegenheid had gehad daarop te reageren. Er was geen sprake van een schending van hoor en wederhoor of een essentieel vormverzuim.
Het hoger beroep werd daarom verworpen en de man werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De beschikking is gegeven door het hof op 13 augustus 2024.