In deze strafzaak heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2022. Tijdens de terechtzitting van het hof op 13 juni 2024 heeft de verdachte, vertegenwoordigd door zijn raadsman, aangegeven zijn bezwaren tegen het vonnis niet langer te handhaven en geen nieuwe gronden voor het hoger beroep te presenteren.
Het hof heeft, na overleg met de advocaat-generaal en de verdediging, geen aanleiding gezien om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem op 13 juni 2024. Hiermee komt een einde aan de procedure in hoger beroep, waarbij het oorspronkelijke vonnis van de rechtbank ongewijzigd blijft.