De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland over de hoogte en ingangsdatum van kinderalimentatie na een wijziging in de zorgregeling van de minderjarige kinderen. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar de kinderen wonen bij de vrouw. Er waren afspraken over de kostenverdeling, maar door verhuizingen en gewijzigde zorgverdeling ontstond een geschil over de alimentatie.
De vrouw verzocht om een hogere bijdrage van de man met ingang van 1 januari 2023, terwijl de rechtbank dit vanaf 2 november 2023 had vastgesteld. Het hof oordeelde dat de man al vanaf de verhuizing eind 2022 rekening had moeten houden met een hogere bijdrage en kende de eerdere ingangsdatum toe. De man had onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie, waardoor de draagkracht niet goed kon worden beoordeeld. Dit kwam voor zijn risico.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft en stelde vast dat de man voor 2023 een bijdrage van € 300,- per kind per maand moet betalen en vanaf 2024 € 318,60 per kind per maand. De zorgkorting van 30% werd niet toegepast omdat geen overeenstemming bestond en het rapport alimentatienormen dit niet rechtvaardigde. De kosten van het hoger beroep worden door partijen zelf gedragen.