Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €447.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €400.000 voor. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep deels gegrond verklaard en de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing vernietigd.
In hoger beroep heeft het Hof vastgesteld dat de heffingsambtenaar de waarde met een taxatiematrix en vergelijkingswoningen voldoende heeft onderbouwd, waarbij rekening is gehouden met waardeverminderende factoren zoals verouderde voorzieningen en scheurvorming. Belanghebbende heeft bepaalde bezwaren ingetrokken, waaronder over onderhoud en indexering.
Het Hof oordeelt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep gegrond vanwege een onjuiste proceskostenvergoeding door de rechtbank. Het Hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van in totaal €4.120 aan belanghebbende.
Belanghebbende is in februari 2024 overleden; het Hof baseert zijn uitspraak op de ingebrachte argumenten vóór het overlijden. Pogingen om erfgenamen te achterhalen zijn niet geslaagd. De uitspraak is gedaan op 28 mei 2024 en is openbaar.