ECLI:NL:GHARL:2024:2901

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
200.334.509
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing bewind wegens onvoldoende financieel inzicht en noodzaak bescherming

Het geschil betreft het verzoek van betrokkene om het beschermingsbewind op te heffen, dat sinds 2007 van kracht is. De kantonrechter wees dit verzoek in oktober 2023 af, waarna betrokkene hoger beroep instelde. Tijdens de mondelinge behandeling in april 2024 werd vastgesteld dat betrokkene onvoldoende financieel inzicht heeft en dat het bewind noodzakelijk blijft.

Betrokkene en haar echtgenoot hebben recent een woning gekocht, waardoor het opbouwen en behouden van een financiële buffer van groot belang is. De bewindvoerder gaf aan dat het spaargeld slechts € 2.500,- bedraagt, terwijl betrokkene stelde dat zij € 9.000,- spaargeld had, hetgeen niet werd bevestigd door de financiële overzichten. Ook bleek dat betrokkene aankopen op afbetaling doet en een telefoonabonnement op naam van haar echtgenoot heeft afgesloten om het bewind te omzeilen.

Het hof oordeelde dat het beschermingsbewind gehandhaafd moet blijven vanwege het gebrek aan financieel overzicht en het belang van bescherming. Hoewel er sprake is van wantrouwen jegens de huidige bewindvoerder, ligt benoeming van een nieuwe bewindvoerder niet binnen deze procedure. De bestreden beschikking van de kantonrechter wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind wordt afgewezen en het bewind blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.334.509
(zaaknummer rechtbank Overijssel 10521884)
beschikking van 25 april 2024
inzake
[verzoekster],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de echtgenoot],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: [de echtgenoot] ,
en
[dochter1],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: [dochter1] ,
en
[dochter2],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [dochter2] ,
en
[de zoon],
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: [de zoon] ,
en
[dochter3],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: [dochter3] ,
en
[de bewindvoerder],
kantoor houdende te [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats [woonplaats1] , team Toezicht - Bewindsbureau) van 25 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 november 2023.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 april 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat,
  • [de echtgenoot] ,
  • een vertegenwoordiger van de bewindvoerder.

3.De feiten

3.1
[verzoekster] is geboren [in] 1967. [de echtgenoot] is de echtgenoot van [verzoekster] en [dochter1] , [dochter2] , [de zoon] en [dochter3] zijn haar kinderen.
3.2
De goederen die aan [verzoekster] (zullen) toebehoren staan sinds 2007 onder bewind.
3.3
[verzoekster] heeft diverse malen om opheffing van het bewind verzocht.
Bij beschikking van 1 april 2022 heeft de kantonrechter een verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen en overwogen dat de komende twee jaar geen nieuwe opheffingsverzoeken in behandeling zullen worden genomen wanneer er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] om het bewind op te heffen afgewezen.
4.2
[verzoekster] is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het bewind op te heffen dan wel een beslissing te nemen als het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW.
5.2
[verzoekster] voert in hoger beroep allereerst aan dat haar verzoek in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen zonder haar te horen. [verzoekster] heeft gelijk dat zij in eerste aanleg over haar verzoek door de kantonrechter had moeten worden gehoord, maar dat kan niet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep. De procedure in hoger beroep strekt er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te herstellen. [verzoekster] is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gehoord en heeft daar ook haar inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar gemaakt en toegelicht. Dit bezwaar tegen de bestreden beschikking (grief) slaagt dus niet
5.3
Vervolgens ligt de vraag ter beoordeling voor of het bewind dient te worden opgeheven. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] ook nu nog bescherming nodig heeft bij het beheer van haar financiën en spaargeld. Dit is juist nu belangrijk, omdat [verzoekster] en haar echtgenoot samen een woning hebben gekocht. Het is daardoor van een nog groter belang dat [verzoekster] een buffer opbouwt en behoudt voor eventuele onverwachte uitgaven. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de bewindvoerder gesteld dat het spaargeld van [verzoekster] op dit moment € 2.500,- bedraagt, hetgeen niet kan worden beschouwd als een afdoende buffer. [verzoekster] stelt weliswaar dat haar spaargeld ruim € 9.000,- bedraagt, maar uit het door haar overgelegde overzicht blijkt slechts dat dit bedrag in een periode van anderhalf jaar op haar leefgeldrekening is gestort en dat ditzelfde bedrag in diezelfde periode ook is uitgegeven. Anders dan [verzoekster] stelt, blijkt daaruit dus niet dat [verzoekster] spaargeld heeft ter hoogte van € 9.000,-. Ook blijkt daaruit niet dat de bewindvoerder geld van [verzoekster] gestolen zou hebben, zoals [verzoekster] meent. Het hof overweegt verder dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoekster] onvoldoende zicht heeft op haar financiële huishouding. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de bewindvoerder onweersproken heeft gesteld dat [verzoekster] nog steeds koopt op afbetaling. Bovendien heeft [verzoekster] , om het bewind te omzeilen, een telefoonabonnement afgesloten op naam van haar echtgenoot. Tot slot vindt het hof het zorgelijk dat [verzoekster] blijft weigeren om de rekening en verantwoording met de bewindvoerder te bespreken. Het voorgaande betekent dat het beschermingsbewind in stand blijft.
5.4
Het hof overweegt nog dat de fysieke afstand tussen de bewindvoerder en het wantrouwen van [verzoekster] jegens de bewindvoerder - mede ontstaan, omdat de bewindvoerder ook het bewind van de ex-partner van [verzoekster] uitvoert - mogelijk kan worden verholpen door benoeming van een nieuwe bewindvoerder. Het is daarbij voorstelbaar dat het bewind wordt uitgevoerd door dezelfde instantie die het budgetbeheer van [de echtgenoot] onder zich heeft. Benoeming van een andere bewindvoerder ligt echter in deze procedure niet voor.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, team Toezicht - Bewindsbureau) van 25 oktober 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, M.P. den Hollander en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 25 april 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.