De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kinderrechter die een machtiging gaf aan de gecertificeerde instelling (GI) om haar dochter, geboren in 2016, uit huis te plaatsen in een gezinshuis. De moeder wilde dat de machtiging werd ingetrokken en dat haar dochter bij familie zou worden geplaatst. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting gehouden op 19 maart 2024.
Het hof oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De minderjarige vertoonde geparentificeerd gedrag toen zij nog samen met haar broertje en zusje woonde, wat haar ontwikkeling belemmerde. Daarom woont zij nu in een ander gezinshuis waar zij beter tot haar recht komt. De moeder volgt therapieën die haar helpen, maar het hof vindt dat de zorgen over haar opvoedcapaciteiten nog niet zijn weggenomen.
De moeder stelde voor om de kinderen samen te plaatsen, bijvoorbeeld in een moeder-kindhuis of bij familie, maar het hof vindt dit niet in het belang van de minderjarige. De voorgestelde netwerkplaatsingen bieden geen langdurige oplossing en de GI benadrukt dat professionele opvoeders met expertise in trauma en hechting noodzakelijk zijn. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter en wijst het hoger beroep af. De omgang tussen moeder en kind wordt aangemoedigd en de GI wordt opgedragen deze mogelijkheden te blijven onderzoeken.