ECLI:NL:GHARL:2024:218

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 januari 2024
Publicatiedatum
10 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.320.500/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 1 WahvArt. 2:1 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepsgerechtigheid bij RTL-registratie in bestuursrechtelijke parkeerovertreding

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een parkeerovertreding. De betrokkene, geregistreerd als kentekenhouder, ontving een inleidende beschikking. Het administratief beroep werd door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van de betrokkene.

De gemachtigde voerde aan dat een machtiging was verstrekt en verwees naar een werkinstructie van de CVOM die machtigingen van leasemaatschappijen bij RTL-registraties accepteert. Het hof oordeelde echter dat deze werkinstructie pas na de beslissing van de officier van justitie van kracht werd en dat de RTL-registratie niet gelijkgesteld kan worden met het kentekenregister zoals bedoeld in de wet.

Het hof stelde vast dat de betrokkene als kentekenhouder gerechtigd is tot het instellen van beroep en dat alleen zij een machtiging kan afgeven. De aangevoerde gronden van de gemachtigde werden verworpen. Tevens constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, maar dit leidde niet tot matiging van de sanctie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het ongegrond verklaren van het beroep wegens ontbrekende geldige machtiging en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.320.500/01
CJIB-nummer
: 234877864
Uitspraak d.d.
: 10 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 27 oktober 2022, betreffende

[naam1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats1] , vertegenwoordigd door mr. M. Lagas,

optredende voor [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats2] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

[naam1] B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal gevraagd om aanvullende informatie.
Deze informatie is ontvangen en (in kopie) doorgestuurd aan de gemachtigde. Deze heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. In de onderhavige zaak is op 14 juli 2020 aan de betrokkene, te weten [de betrokkene] een inleidende beschikking uitgevaardigd. Hiertegen is door [naam1] B.V. in de persoon van mr. M. Lagas, namens [naam2] administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft dit beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van degene aan wie de beschikking is gericht. Tegen deze beslissing is door [naam1] B.V. beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie een juiste beslissing heeft genomen en heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Mr. Lagas voert aan - samengevat - dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Op 7 augustus 2020 heeft mr. Lagas een machtiging aan de CVOM doen toekomen, welke is ondertekend door de heer [naam3] van [de betrokkene] . Tijdens de zitting van de kantonrechter is gebleken dat deze machtiging zich in het dossier bevindt, maar de zittingsvertegenwoordiger kon niet aantonen wanneer deze was ontvangen. Zodoende is met onvoldoende zekerheid komen vast te staan dat de machtiging te laat zou zijn ontvangen.
3. Om vast te kunnen stellen of [naam1] B.V. is gemachtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking, is van belang dat in artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is de officier van justitie bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt, om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
4. Uit de stukken blijkt dat het in deze zaak gaat om een parkeerovertreding waarvoor de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder. Het betreft het kenteken [kenteken] . Het kenteken is in het kentekenregister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wahv, op naam gesteld van [de betrokkene] .
5. De inleidende beschikking is gericht aan [de betrokkene] . [de betrokkene] stond ten tijde van de gedraging immers als kentekenhouder geregistreerd. De sanctie is aan haar opgelegd. Dat er in deze zaak sprake is van een RTL-registratie, doet daar niet aan af. Het RTL-register kan niet worden beschouwd als kentekenregister in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wahv noch daaronder worden verstaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wahv. Gelet op het voorgaande is [de betrokkene] gerechtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en kan alleen [de betrokkene] een machtiging afgeven om namens haar beroep in te stellen.
6. Bij het administratief beroepschrift is een machtiging van [naam4] overgelegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de officier van justitie deze machtiging ontoereikend kunnen achten. De officier van justitie heeft [naam1] B.V. bij brief van 30 juli 2020 daarom terecht erop gewezen dat een schriftelijke machtiging van degene aan wie de beschikking is gericht dat zij, [naam1] B.V., beroep aan mag tekenen, ontbreekt. De officier van justitie heeft [naam1] B.V. in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van die brief. In die brief is [naam1] B.V. erop gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet (tijdig) wordt hersteld.
7. Mr. Lagas voert aan dat hij op 7 augustus 2020 een machtiging aan het CVOM heeft doen toekomen, welke is ondertekend door de heer [naam3] van [de betrokkene] .
8. De stukken van het geding houden niets in, waaruit zou kunnen blijken, dat kort na
7 augustus 2020 dan wel in ieder geval voor het einde van de gegeven termijn de gevraagde stukken door de officier van justitie zijn ontvangen. In beginsel aanvaardt degene die per gewone post een stuk verzendt het risico dat hij niet over een schriftelijk bewijs van verzending beschikt. Het ligt dan op zijn weg om op andere wijze aan te tonen dat de verzending (tijdig) heeft plaatsgevonden. Mr. Lagas heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan dit aannemelijk is geworden. Eerst bij het beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie d.d.
2 oktober 2020, is een machtiging overgelegd van [de betrokkene] overgelegd. Derhalve is het verzuim niet tijdig hersteld.
9. De gemachtigde voert verder aan dat in deze zaak sprake is van een zogenaamde RTL-registratie (Registratie Tenaamstelling Leasemaatschappijen). Bij een dergelijke registratie wordt de naam van de kentekenhouder, in dit geval [naam4] , gewijzigd in de leasenemer, te weten [de betrokkene] . In dit verband wijst de gemachtigde op de werkinstructie 'algemene aandachtspunten beoordelen' van de CVOM, waarin expliciet is vermeld dat wanneer de leasemaatschappij de beroepsinsteller machtigt, de CVOM de machtiging van de leasemaatschappij accepteert en geen machtiging van de kentekenhouder opvraagt. Verder wijst de gemachtigde nog op de werkinstructie 'basisbeginselen beoordelen' van de CVOM, waaruit volgt dat de CVOM geen machtiging opvraagt in zaken waarin de (kopie) beschikking bij het beroepschrift zit. De kantonrechter is ten onrechte niet op deze gronden ingegaan, zodat volgens de gemachtigde sprake is van een motiveringsgebrek.
10. Het hof stelt vast dat sprake is van een motiveringsgebrek in de beslissing van de kantonrechter, nu de kantonrechter niet op deze gronden is ingegaan en zal de aangevoerde gronden alsnog beoordelen.
11. In de door de gemachtigde aangehaalde passage van de werkinstructie 'algemene aandachtspunten beoordelen' voor de CVOM is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“Machtiging bij RTL-melding
RTL is een afkorting van: Registratie Tenaamstelling Leasemaatschappijen. De RTL-applicatie is een hulpmiddel voor leasemaatschappijen om een auto in het kentekenregister op naam van de leasenemer te zetten, terwijl in een apart register is opgenomen tot welke leasemaatschappijen de voertuigen behoren. (…).
Bij een RTL-registratie wordt de naam van de kentekenhouder gewijzigd in de leasenemer, bijvoorbeeld (…), maar blijft de leasemaatschappij verantwoordelijk voor voertuigverplichtingen (zoals APK, verzekering, motorrijtuigenbelasting en bekeuringen). (…).
Het adres van de kentekenhouder wijzigt niet bij een RTL-melding wat betekent dat de leasemaatschappijen de boetes ontvangt. Het kan daarom zijn dat de leasemaatschappij (en dus niet de kentekenhouder) de beroepsinsteller machtigt. In dat geval accepteren we de machtiging van de leasemaatschappij en hoeven we geen machtiging van de kentekenhouder op te vragen.”
12. In de door de gemachtigde aangehaalde passage van de werkinstructie 'basisbeginselen beoordelen' is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“2. Is de beroepsinsteller bevoegd om beroep in te stellen?
(…).
We vragen geen machtiging op bij:
(…).
Zaken waarin de (kopie) beschikking bij het beroepschrift zit.
(…).”
13. De advocaat-generaal heeft inlichtingen ingewonnen bij [naam5] , kwaliteitssecretaris binnen het team Mulder Beoordelen bij de CVOM. Hieruit blijkt dat de werkwijze met betrekking tot de RTL-registratie, waarnaar de gemachtigde verwijst, is ingegaan op 22 oktober 2020. De beslissing van de officier van justitie is van 22 september 2020. Deze beslissing is genomen op basis van de toen geldende werkinstructie, inhoudende dat een machtiging van de tenaamgestelde op de beschikking/kentekenhouder is vereist. Bij brief van 30 juli 2020 is dit door de officier van justitie aangegeven. Gelet hierop is geen genoegen genomen met de door de gemachtigde overgelegde machtiging van [naam4] . Met betrekking tot de passage van de gemachtigde over de kopie van de beschikking merkt de advocaat-generaal verder nog op dat deze passage enkel van toepassing is als een kopie van de beschikking al bij het beroepschrift zit, terwijl in deze zaak geen kopie is meegestuurd.
14. In aanmerking genomen dat de werkinstructie 'algemene aandachtspunten beoordelen' eerst is ingegaan op 22 oktober 2020, terwijl de beslissing van de officier van justitie dateert van
30 september 2020 is het hof van oordeel dat de gemachtigde zich niet kan beroepen op de inhoud hiervan. Voorts komt de gemachtigde geen beroep toe op de werkinstructie 'basisbeginselen beoordelen', nu de gemachtigde in de onderhavige zaak geen afschrift van de inleidende beschikking bij het beroepschrift gericht tegen de inleidende beschikking heeft gevoegd. De aangevoerde gronden treffen derhalve geen doel.
15. Het hof stelt ambtshalve vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 21 juli 2020 aan de betrokkene toegezonden en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 27 oktober 2022. Deze termijnoverschrijding leidt in dit geval niet tot matiging, nu de kantonrechter niet is toegekomen aan de beoordeling van de sanctie die aan de betrokkene is of had moeten worden opgelegd (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dat betekent dat het hof hier niet tot matiging van het sanctiebedrag kan overgaan maar zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
16. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van de gronden. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.