ECLI:NL:GHARL:2024:1665

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 maart 2024
Publicatiedatum
6 maart 2024
Zaaknummer
200.332.168/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens overschrijding redelijke termijn berechting in verkeersboetezaak

De betrokkene kreeg een boete van €295 voor het rijden met 28 km/u te hard op een weg buiten de bebouwde kom. De betrokkene voerde aan dat de meting niet voldeed aan de voorgeschreven minimale afstand tussen verkeersbord en meetlocatie, maar het hof oordeelde dat deze grond faalde vanwege de rijrichting en snelheidslimiet ter plaatse.

Daarnaast stelde de betrokkene dat de redelijke termijn van berechting was overschreden. Het hof stelde vast dat de inleidende beschikking eerder was ontvangen dan de dagtekening, waardoor de termijn werd overschreden. Daarom matigde het hof de boete met 25%.

De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard, maar het hof vernietigde deze beslissing en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De boete werd verminderd tot €221,25.

Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €221,25 wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.168/01
CJIB-nummer
: 241596153
Uitspraak d.d.
: 6 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 8 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 295,- voor: “28 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 mei 2021 om 12:55 uur op de Meirseweg in Zundert met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat bij de meting niet de minimumafstand tussen het bord A1 en de meetlocatie in acht is genomen, zoals is voorgeschreven in de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (hierna: Instructie). De ambtenaar verklaart dat deze afstand 120 meter was en dat het bord aanwezig was ter hoogte van de Waaijenbergstraat. Hierbij gaat de ambtenaar er ten onrechte vanuit dat het voertuig van de betrokkene kwam uit de richting van de Waaijenbergstraat. Op basis van de foto van de gedraging in combinatie met de door de gemachtigde overgelegde afbeeldingen van Google Maps Street View is echter duidelijk te zien dat het voertuig vanuit de richting van de rotonde Hofdreef/Meirseweg kwam. Vanuit die richting is de afstand tussen het bord en de meetlocatie 140 meter. Aldus is niet voldaan aan de Instructie, die voorschrijft dat bij een nieuw gebod van 60 km/h de minimale afstand tussen het bord en de meetlocatie 170 meter is. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. De kantonrechter is ten onrechte niet op deze grond ingegaan.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat dat met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel is geconstateerd dat met het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats met een gecorrigeerde snelheid van 88 km/h is gereden, terwijl de maximum snelheid aldaar 60 km/h bedraagt.
4. Verder bevat het dossier een foto waarop een voertuig met voornoemd kenteken is te zien. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.
5. Tot slot bevat het dossier een proces-verbaal d.d. 18 oktober 2021, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“De radarcontrole stond opgesteld ter hoogte van pandnummer 23 op de Meirseweg te Zundert. De borden A1 60 stonden ter hoogte van de Waaijenbergstraat op de Meirseweg te Zundert aan beide zijden van de weg. Dit is voor de opstelling van de radarcontrole ongeveer 120 meter. Vanaf Zundert gezien na de rotonde staan ook aan beide zijden de borden A1 60, zo ongeveer 190 meter voor de opstelling van de radarcontrole.”
6. In de Instructie staat voor zover relevant dat er een minimumafstand in acht moet worden genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid en de meetplaats en dat deze afstand bij 60 km/h 170 meter dient te zijn.
7. Op de foto van de gedraging is in combinatie met de door de gemachtigde overgelegde afbeeldingen van Google Maps Street View te zien dat het voertuig van de betrokkene komt vanuit de richting van de rotonde Hofdreef/Meirseweg in Zundert. Uit de door de advocaat-generaal bij het verweerschrift overgelegde informatie volgt dat de maximumsnelheid aldaar 50 km/h bedraagt. Aldus is er vanuit die richting geen sprake van de inwerkingtreding van een lagere maximumsnelheid, zodat het voorschrift dat er tussen het bord en de meetplaats een minimumafstand in acht moet worden genomen hier niet geldt. De aangevoerde grond treft dus geen doel.
8. Verder voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 7 juni 2021 door de betrokkene ontvangen en op 8 juni 2023 heeft de kantonrechter beslist op het beroep.
9. Van schending van de redelijke termijn van berechting is sprake wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. In Wahv-zaken wordt de dagtekening van de inleidende beschikking als aanvangsdatum gehanteerd of, wanneer er staande is gehouden, dat moment.
10. In het zaakoverzicht staat dat de inleidende beschikking op 9 juni 2021 aan de betrokkene is toegestuurd. De gemachtigde stelt dat de inleidende beschikking eerder door de betrokkene is ontvangen en onderbouwt dit door overlegging van een uitdraai van een e-mail d.d. 7 juni 2021, waarbij de zaak door de lessee bij de gemachtigde wordt ingediend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat zich in het dossier een op 7 juni 2021 gedateerd document van de betrokkene, de leasemaatschappij, aan de lessee bevindt met daarin de mededeling dat voor het betreffende voertuig een bekeuring is ontvangen, is naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat de inleidende beschikking op 7 juni 2021 door de betrokkene is ontvangen. Dit geeft het hof aanleiding om in dit geval niet uit te gaan van de dagtekening van de inleidende beschikking als aanvangsdatum voor de redelijke termijn van berechting, maar van de (eerdere) datum waarop deze daadwerkelijk door de betrokkene is ontvangen.
11. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
12. Nu de beslissing van de kantonrechter reeds wordt vernietigd, behoeft de grond van de gemachtigde dat de kantonrechter niet is ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde grond geen bespreking meer.
13. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient in totaal één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 437,50 (= 1 x € 875,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 221,25;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 437,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.