ECLI:NL:GHARL:2024:1230

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
P23/0340
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3:15 SvArt. 6:1:19 SvArt. 67 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met verpleging met twee jaar bevestigd door gerechtshof

De terbeschikkinggestelde is in beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam die de terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging met twee jaar verlengde. De terbeschikkinggestelde wenste een verlenging van slechts één jaar, mede vanwege de impasse in de behandeling en het belang van druk op de kliniek. De advocaat-generaal en het openbaar ministerie stelden dat het recidiverisico hoog blijft en dat twee jaar verlenging passend is.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder rapportages van de kliniek, en concludeert dat het risico op terugval in gewelddadig gedrag bij verval van zorg en toezicht hoog is. Het hof stelt vast dat de aanvangsdatum van de gemaximeerde vierjarige terbeschikkingstelling met verpleging niet ligt bij de onherroepelijke beslissing van 10 december 2021, maar bij de dag waarop de voorlopige verpleging begon, namelijk 2 september 2021.

De terbeschikkingstelling zal derhalve eindigen vier jaar na die datum, tenzij de termijn wordt onderbroken. Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam tot verlenging met twee jaar, omdat dit noodzakelijk is voor de voortgang van behandeling en resocialisatie. De beslissing is op 8 februari 2024 in het openbaar uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De terbeschikkingstelling met verpleging wordt met twee jaar verlengd en eindigt in december 2025.

Uitspraak

TBS P23/0340
Beslissing van 8 februari 2024
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[naam terbeschikkinggestelde],
geboren te [plaats] op [datum] ,
verblijvende in [kliniek 1] (hierna: de kliniek),
verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2023. Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
– het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
– de beslissing waarvan beroep;
– de akte van 19 oktober 2023 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
– de aanvullende informatie van de kliniek van 8 januari 2024;
– de wettelijke aantekeningen over het derde kwartaal van 2023.
Het hof heeft ter zitting van 25 januari 2024 gehoord:
– de advocaat-generaal, mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, en
– de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door mr. J.T. Brassé, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
De reden voor het instellen van beroep tegen de beslissing van de rechtbank is de wens dat de terbeschikkingstelling zal worden verlengd met slechts een jaar. In de kliniek is een impasse ontstaan. Die overschaduwt voor een deel de dingen die in de afgelopen periode wel goed zijn gegaan. Zo is de terbeschikkinggestelde al vier jaren abstinent van verdovende middelen. En hij heeft deelgenomen aan een behandelcarrousel en is nu nog bezig met muziektherapie. Daarnaast heeft hij een beeld van zijn toekomst. Vooruitgang blijkt ook uit de wijze waarop hij met de impasse omgaat, namelijk door uit te leggen waar hij het niet mee eens is, zonder dat daarbij conflicten ontstaan. De wens om de duur van de verlenging te beperken tot een jaar is ook ingegeven door het belang om de druk erop te houden bij de kliniek, te meer omdat de duur van de maatregel gemaximeerd is. Binnen dat jaar kan veel worden bereikt. Een ander punt is dat het op dit moment nog niet duidelijk is wat de volgende kliniek wordt waarin de terbeschikkinggestelde wordt geplaatst. De huidige kliniek is in gesprek met [kliniek 2] en [kliniek 3] . Mede in het licht van die onduidelijkheid is het wenselijk dat op een relatief korte termijn een zitting zal plaatsvinden waarvoor bij alle betrokken instanties informatie wordt opgevraagd.
De advocaat-generaal heeft een standpunt ingenomen met betrekking tot de datum waarop de terbeschikkingstelling zal eindigen. De rechtbank heeft in de beslissing waarvan beroep de juiste datum genoemd.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De rechtbank heeft terecht beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren. Er is nog steeds sprake van een hoog recidiverisico, waarbij de beschermende factoren vooral extern van aard zijn. Doordat niet tot een afronding is gekomen van de delictanalyse wat betreft het incident in [kliniek 4] , is er onvoldoende zicht op de risicofactoren die daarmee verband houden. De kliniek heeft gerapporteerd dat de behandeling onder meer gericht dient te zijn op het aanleren van adequate copingvaardigheden. Verder wil de kliniek toewerken naar begeleid verlof en wordt gewerkt aan een overplaatsing naar een andere kliniek. Het valt niet te verwachten dat, bij verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar, de terbeschikkinggestelde binnen die termijn toe zal zijn aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de terbeschikkingstelling zal eindigen op 3 september 2025. De duur van de terbeschikkingstelling is gemaximeerd tot vier jaren en deze termijn is aangevangen met het onherroepelijk worden van de beslissing van 10 december 2021, die ertoe strekt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. De terbeschikkingstelling zal dus pas eindigen in december 2025. Het hof wordt verzocht deze misslag van de rechtbank te herstellen en hier – in het kader van rechtsvorming – een overweging aan te wijden.
Het oordeel van het hof
Het hof is onder aanvulling van gronden als hierna weergegeven van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met die aanvulling bevestigen.
Recidivegevaar
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Het hof vult de gronden van de rechtbank voor dit oordeel aan met het volgende.
De aanvullende informatie van de kliniek (van 8 januari 2024) houdt onder meer in dat, bij volledig verval van zorg en toezicht, het risico op een terugval in gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog.
Aanvangsdatum gemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging (vierjarentermijn)
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de termijn van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is aangevangen met het onherroepelijk worden van de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2021 die ertoe strekt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd.
Het hof komt tot een ander oordeel en overweegt als volgt.
Bij vonnis van 17 september 2020 heeft de rechtbank Rotterdam de terbeschikkinggestelde veroordeeld tot een terbeschikkingstelling met voorwaarden, dit voor een misdrijf dat is gekwalificeerd als ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’. Een van de voorwaarden was dat de terbeschikkinggestelde zich laat opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek of een soortgelijke zorginstelling.
De terbeschikkingstelling is aangevangen op 10 november 2020 met een behandelpoging in [kliniek 4] .
Op 31 augustus 2021 is de terbeschikkinggestelde aangehouden op grond van artikel 6:3:15 van Pro het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van een incident in [kliniek 4] .
Bij beschikking van 2 september 2021 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam de voorlopige verpleging van de terbeschikkinggestelde bevolen.
Bij beslissing van 10 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam bevolen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd. Met het oog op de maximale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging heeft de rechtbank vastgesteld dat het indexdelict
nieteen misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De voorliggende vraag is op welke datum de onderhavige terbeschikkingstelling met verpleging (waarvan de duur is gemaximeerd tot vier jaren) is aangevangen. In een geval als het onderhavige, waarin de beslissing dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd is voorafgegaan door een bevel van de rechter-commissaris tot de voorlopige verpleging van de terbeschikkinggestelde, geldt als aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege de dag waarop de vrijheidsbeneming op grond van het bevel van de rechter-commissaris tot voorlopige verpleging is begonnen (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2928). In dit geval is dat 2 september 2021.
Het voorgaande brengt mee dat de terbeschikkingstelling van rechtswege zal eindigen na ommekomst van vier jaren, te rekenen vanaf 2 september 2021, tenzij zich een geval voordoet waarin de termijn van de terbeschikkingstelling niet loopt als bedoeld in artikel 6:1:19 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Duur van de verlenging van de terbeschikkingstelling
Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat uit de adviezen en informatie van de kliniek blijkt dat de kliniek zich bewust is van de resterende termijn van de terbeschikkingstelling.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt met aanvulling en verbetering van gronden als voormeld de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2023, met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [naam terbeschikkinggestelde] .
Aldus gedaan door
mr. W.A. Holland, voorzitter,
mr. K. Gilhuis en mr. M.J. Vos, raadsheren,
drs. R.A. Graaff en drs. R.J.A. van Helvoirt, raden,
in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,
en op 8 februari 2024 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.