Art. 3 RVV 1990Art. 11 lid 1 RVV 1990Art. 13 lid 2 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie voor rechts inhalen zonder file op Rijksweg A58
De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd wegens rechts inhalen op de Rijksweg A58, terwijl dit volgens de verkeersregels alleen is toegestaan bij het inhalen van een file aan de rechterzijde. De betrokkene stelde dat er sprake was van een file doordat twintig voertuigen op de linkerrijstrook elkaar in snelheid beperkten, en dat hij daarom terecht rechts inhaalde. Het hof oordeelde dat de verkeerssituatie objectief moest worden beoordeeld en dat een rij voertuigen die met ongeveer de maximumsnelheid reed geen file vormt.
De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en het hof bevestigde deze beslissing. Het verzoek om de ambtenaar als getuige op te roepen werd afgewezen omdat diens waarneming niet ter discussie stond, alleen de interpretatie van de regelgeving. Ook werd het verzoek tot vergoeding van kosten afgewezen.
Het hof merkte op dat het CJIB de sanctie met 25% had gematigd wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie. De betrokkene werd niet in het gelijk gesteld en de sanctie bleef van kracht.
Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie van €250 voor rechts inhalen zonder dat sprake was van een objectief vastgestelde file.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.337.223/01
CJIB-nummer
: 242360658
Uitspraak d.d.
: 13 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 maart 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 30 januari 2024. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 juli 2021 om 15.25 uur op de Rijksweg A58 in Waarde met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene (tevens de bestuurder) is het niet eens met de opgelegde sanctie. Hij voert aan dat er ten tijde van de gedraging twintig weggebruikers waren die zich schuldig maakten aan een overtreding van artikel 3, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) door zonder noodzaak op de linkerrijstrook te blijven rijden. De gemachtigde hield zich - door rechts te blijven rijden - als enige wel aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het RVV 1990, maar hem wordt vervolgens verweten dat hij rechts heeft ingehaald waar dat verboden is. De gemachtigde stelt dat dit onterecht is. De twintig voertuigen op de linkerrijstrook - die kop-staart achter elkaar reden en die in hun snelheid door elkaar werden beperkt - vormden een file, daarom was het de gemachtigde toegestaan de voertuigen rechts voorbij te rijden. Hij verwijst daartoe naar een arrest van het hof Leeuwarden van 12 november 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AO0788. Verder stelt de gemachtigde dat zijn betoog dat hij niet te hard heeft gereden door de kantonrechter werd afgebroken, omdat de snelheid geen issue zou zijn in de onderhavige zaak. Bij de uitspraak werd het argument van de snelheid vervolgens wel tegen de gemachtigde gebruikt. Hierdoor is de gemachtigde in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Tot slot stelt de gemachtigde dat de ambtenaar ten onrechte niet is opgeroepen door de kantonrechter en de gemachtigde verzoekt het hof dit alsnog te doen.
3. Met betrekking tot de opmerking van de gemachtigde dat de kantonrechter zijn betoog met betrekking tot de gereden snelheid vroegtijdig afbrak, merkt het hof op dat in de onderhavige procedure slechts ter beoordeling van het hof staat of de kantonrechter een juiste beslissing op het beroep heeft gegeven. Klachten over de bejegening door de kantonrechter vallen buiten de reikwijdte van deze procedure. Het hof zal aan deze opmerking van de gemachtigde dan ook verder voorbijgaan.
4. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal brengt ter zitting naar voren geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar zoals die is neergelegd in het zaakoverzicht en stelt zich op het standpunt dat de gedraging kan worden vastgesteld.
5. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Rijkstrook waarop betrokkene aanvankelijk reed: rijstrook 1. Rijstrook waarop betrokkene inhaalde: rijstrook 2. Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 110 kilometer per uur. Aantal ingehaalde voertuigen: 20. (…) Bestuurder genoemd voertuig haalde diverse voertuigen rechts in, zonder gebruik te maken van richtingaanwijzers. Hiervoor ook bekeurd. Bestuurder drukte verbalisant weg en verbalisant moest remmen om een aanrijding te voorkomen. Ik reed op dat moment ongeveer 100 km p/u. Reden geen staandehouding: verbalisant reed in privetijd op privé voertuig.”
7. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het RVV 1990, waarin is bepaald dat inhalen links geschiedt. In artikel 13, tweede lid, van het RVV 1990 is bepaald dat files aan de rechterzijde mogen worden ingehaald.
8. De Nota van Toelichting bij artikel 13 vanPro het RVV 1990 vermeldt voor zover hier van belang het volgende:
“In het RVV 1990 is geen omschrijving van het begrip file opgenomen. Een exacte aanduiding is niet wel mogelijk, aangezien het verschijnsel zeer situatiegebonden is. In de praktijk verstaat men onder een file een rij voertuigen van een beduidende lengte, waarvan de rijsnelheid bepaald wordt door het overige verkeer ter plaatse en die stilstaan dan wel zich langzaam voortbeweegt. Dit sluit niet uit dat een beperkte rij voertuigen die relatief snel rijdt een file kan vormen.”
9. Het hof stelt voorop dat daar waar artikel 13, tweede lid, van het RVV 1990 een uitzondering vormt op het gebod van artikel 11, eerste lid, van het RVV 1990 het op de weg van de (gemachtigde van de) betrokkene ligt om aannemelijk te maken dat sprake is van een file. De vraag of sprake is van een file kan daarbij niet louter afhangen van de persoonlijke beoordeling van de inhalende bestuurder. Met het oog op de verkeersveiligheid heeft als uitgangspunt te gelden, dat de verkeerssituatie zich niet alleen in de ogen van de inhalende bestuurder voordoet als een file, die hij rechts zou mogen inhalen, maar tevens dat deze door de overige verkeersdeelnemers, met name door de bestuurders van de voertuigen die zich op de linkerrijstrook bevinden, zal moeten worden gezien als een file. Dat wil zeggen, dat de verkeerssituatie naar objectieve maatstaven moet zijn te karakteriseren als een file. De uitzondering, die de besluitgever maakt op het gangbare file begrip zal moeten worden uitgelegd in samenhang daarmee.
10. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een file. De gemachtigde stelt dat hij twintig voertuigen achter elkaar zag rijden op de linkerrijstrook, die elkaar in hun snelheid beperkten, terwijl hij op de rechterrijstrook reed die vrij was van ander verkeer. Verder stelt de gemachtigde dat hij zich - nadat hij de twintig voertuigen rechts had ingehaald met inachtneming van de maximumsnelheid ter plaatse van 100 km per uur - weer naar de linkerrijstrook heeft begeven. De ambtenaar - die in een voertuig reed dat deel uitmaakte van de rij voertuigen - stelt dat hij ongeveer 100 km per uur reed en dat de gemachtigde hem rechts inhaalde. Daaruit kan worden afgeleid dat de rij voertuigen ook ongeveer met die snelheid heeft gereden. Dat is niet het relatief snel rijden zoals bedoeld onder rechtsoverweging 8, maar betekent dat de gemachtigde met in ieder geval een snelheid die de toegestane maximumsnelheid is, benadert of licht overschrijdt de rij voertuigen rechts heeft ingehaald. Het hof is van oordeel dat een rij voertuigen die zich met een dermate hoge snelheid voortbeweegt niet meebrengt dat er sprake is van een file in de zin die de besluitgever van artikel 13 vanPro het RVV 1990 voor ogen heeft gestaan. De overige verkeersdeelnemers verwachten immers niet dat een bestuurder hen daar rechts inhaalt. Onder verwijzing naar het door gemachtigde onder rechtsoverweging 2 aangehaalde arrest van dit hof kan niet worden aanvaard dat onder die omstandigheden rechts wordt ingehaald. Deze omstandigheid kan dan ook niet gelden als een uitzondering op de bepaling van art. 11, eerste lid, RVV 1990. Het hof is van oordeel dat de uitzondering van artikel 13, tweede lid, van het RVV 1990 niet aannemelijk is gemaakt. De gedraging staat vast.
11. Met betrekking tot het verzoek van de gemachtigde om de ambtenaar ter zitting als getuige op te roepen overweegt het hof als volgt. In deze procedure ligt de vraag ter beoordeling voor of de gedraging is verricht en of daarvoor terecht een sanctie is opgelegd. Het hof ziet geen reden de ambtenaar als getuige te horen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde niet ontkent dat hij rechts heeft ingehaald. Hetgeen de gemachtigde daarover heeft aangevoerd komt overeen met de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht. Niet de waarneming van de ambtenaar staat ter discussie, maar de interpretatie van de betreffende artikelen van het RVV 1990. Het oordeel daarover is voorbehouden aan het hof. Dit brengt mee dat het verzoek om de ambtenaar op te roepen als getuige wordt afgewezen.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
14. Het hof merkt nog het volgende op. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft ter zitting aangegeven het CJIB de opdracht te hebben gegeven het bedrag van de sanctie met 25% te matigen wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.