Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Noord-Nederland van 17 mei 2022, betreffende
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor het parkeren op een parkeerverbod op 3 maart 2020 in Emmen. De betrokkene stelde dat het voertuig op een eigen terrein stond dat afgesloten was met een hek en niet voor het openbaar verkeer toegankelijk was. Ter onderbouwing werden foto's, videobeelden en getuigenverklaringen overgelegd waaruit bleek dat het hek altijd gesloten was.
De ambtenaar die de sanctie oplegde stelde dat het voertuig geparkeerd stond in een openbaar park waar het hek op dat moment open stond. Het geschil betrof de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg moest worden aangemerkt volgens artikel 1 Wegenverkeerswet Pro 1994.
Het hof oordeelde dat het terrein alleen als openbare weg kan worden aangemerkt indien het hek openstaat en onbelemmerde toegang voor weggebruikers bestaat. De betrokkene had aannemelijk gemaakt dat het hek gesloten was en het terrein niet openstond voor het openbaar verkeer. Hierdoor kon de gedraging niet worden vastgesteld en werd de sanctiebeschikking vernietigd.
Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €1.284,75 aan de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: De sanctiebeschikking voor parkeren op een niet-openbare weg wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.