De bewoners sloten in 2017 individuele overeenkomsten met Alliantie+ voor de renovatie van hun woningen, waarbij Bouwhulp Groep (BHG) zich garant stelde voor de afronding van de werkzaamheden. Na het faillissement van Alliantie+ vorderden de bewoners schadevergoeding wegens tekortschieten van BHG in de garantie.
Het hof stelt vast dat de garantie van BHG gelijkgesteld moet worden aan een afbouwgarantie zoals Bouwgarant biedt, en dat latere aanpassingen in de aanneemwerkzaamheden de garantieverplichting niet hebben opgeheven. BHG's beroep op onvoorziene omstandigheden en redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, omdat vertragingen, kostenstijgingen en organisatorische problemen binnen de risicosfeer van BHG en Alliantie+ vallen.
BHG is in verzuim gesteld na het faillissement van Alliantie+ en het hof oordeelt dat het causaal verband tussen het niet nakomen van de garantie en de schade van de bewoners aanwezig is. Een beroep op medeschuld van bewoners faalt wegens onvoldoende onderbouwing. Bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde3] wordt afgewezen wegens gebrek aan persoonlijk ernstig verwijt.
De schade wordt gedeeltelijk toegewezen op basis van een tegenbegroting van BHG, waarbij 44% van de gevorderde schade wordt toegekend aan de bewoners. De vorderingen tegen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] worden afgewezen. BHG wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.