Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder verzocht om beëindiging van de voogdij van de gecertificeerde instelling (GI) over haar twee kinderen en benoeming van een andere voogd. Het hof onderzocht of sinds de eerdere uitspraak in 2019 sprake was van gewijzigde feiten of omstandigheden die dit verzoek rechtvaardigen.
Hoewel de omgang tussen de moeder en de kinderen sinds december 2021 was verminderd en uiteindelijk opgeschort, oordeelde het hof dat dit onvoldoende onderbouwing bood voor ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen of ontoereikend handelen van de GI. De moeder stelde dat de GI haar taken niet naar behoren uitvoerde en onvoldoende moeite deed om de omgang te bevorderen, maar deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt.
Het hof benadrukte dat de omgangsbeperkingen door de rechtbank en het hof waren vastgesteld en dat de kinderen duidelijk aangaven geen contact met de moeder te willen. De kinderen hebben een goede band met de pleegouders en de GI. Ook het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunde het oordeel dat gedwongen omgang niet in het belang van de kinderen is.
Gelet op deze omstandigheden concludeerde het hof dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor wijziging van de voogdij en wees het verzoek van de moeder af. De beschikking van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot wijziging van de voogdij omdat niet is voldaan aan de wettelijke criteria.