Belanghebbende was gehuwd en woonde in een woning waarvan de juridische eigendom toebehoorde aan zijn ex-echtgenote. Na echtscheiding en diverse procedures over de fiscale behandeling van de betaalde hypotheekrente, werd in hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een deel van de rente als eigenwoningrente en een deel als onderhoudsverplichting aanvaard.
De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende economisch mede-eigenaar was van de woning en of de betaalde hypotheekrente als onderhoudsverplichting kon worden aangemerkt.
Het Hof concludeert dat belanghebbende geen economische mede-eigenaar was omdat hij niet het risico droeg van waardevermindering en geen rechtstreeks belang had bij waardemutaties. Het betalen van hypotheekrente en lasten is onvoldoende voor economische eigendom. Ook is de betaling van zijn aandeel in de hypotheeklast geen onderhoudsverplichting, omdat geen partneralimentatie bestond of werd afgekocht.
Het Hof vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een belastbaar inkomen van € 83.215, handhaaft de overige aanslagelementen en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van in totaal € 4.663,50.