Het hof is van oordeel dat ook in hoger beroep niet voldoende is komen vast te staan dat het aanbod van [appellant] leidt tot een uitbetaling aan zijn schuldeisers die moet worden beschouwd als het uiterste waartoe hij financieel in staat is. Volgens de aanbiedingsbrief van mr. Knopper van 10 juli 2023 stuurt hij daarbij als bijlagen twee recente VTLB-berekeningen, één rekening houdend mét en de ander zonder bijtelling van de auto van de zaak.
Uit die overgelegde berekeningen valt het hof allereerst op dat het inkomen van [appellant] aanzienlijk afwijkt van het tijdens de zitting van 19 juni 2023 vermelde bedrag. De toen beschikbare loonspecificatie over mei 2023 liet een bruto loon van € 2.838,23 zien. In de eerste nieuwe berekening wordt rekening gehouden met een maandinkomen van € 2.769,19 bruto/€ 2.355,21 netto, terwijl in de tweede berekening een maandinkomen is opgenomen van € 3.412,20 bruto/€ 2.076,11 netto. In de berekeningen wordt niet duidelijk gemaakt waarom van het hogere bruto inkomen een lager netto inkomen resteert dan van het lagere bruto inkomen. Indien de hoogte van het inkomen wordt beïnvloed door de auto van de zaak, dan wordt dit in de berekening niet uitgelegd.
Bovendien valt op dat in de berekeningen nominale bedragen worden genoemd van € 861,74 respectievelijk € 788,74, terwijl die bedragen niet volgen uit de daarboven gegeven specificatie. Ten slotte volgt uit beide berekeningen hetzelfde VTLB, namelijk € 2.526,96. Dit kan naar het oordeel van het hof in ieder geval niet juist zijn omdat uit Paragraaf 5.5.5 van het
VTLB-rapport van de Raad voor Rechtsbijstand Wsnpvolgt dat een auto van de zaak altijd invloed heeft op het VTLB.
Nu de berekeningen belangrijke vragen bij het hof oproepen ten aanzien van het inkomen, de nominale bedragen en de invloed van de auto van de zaak op de hoogte van het VTLB, is naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting op de berekeningen, die ontbreekt, niet aannemelijk gemaakt dat het aanbod van [appellant] in de schuldenregeling het uiterste aanbod is waartoe hij in staat is. De termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling (waartegen het aanbod wordt afgezet) is inmiddels, per 1 juli 2023, gehalveerd. Dit maakt de beslissing niet anders omdat de afloscapaciteit niet, ook niet bij benadering, duidelijk is gemaakt. De enkele opmerking van de Trajectregisseur Schuldhulpverlening van de gemeente Apeldoorn (in diens e-mailbericht van 6 juli 2023, gericht aan mr. Knopper) dat de afloscapaciteit in beide gevallen minimaal blijft en dat het doen van nieuwe voorstellen dan ook niet aan de orde is, is voor het hof onvoldoende om anders te oordelen.