Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn ouders van een minderjarige geboren in 2018 in Iran. De moeder heeft een echtscheidingsverzoek ingediend, waarbij de rechtbank de echtscheiding uitsprak maar haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van het kind bij haar te bepalen afwees. De moeder ging in hoger beroep tegen deze afwijzing.
Het hof beoordeelde eerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter vanwege internationale aspecten. De verblijfplaats van de vader en het kind was onbekend, waardoor de gewone verblijfplaats van het kind niet kon worden vastgesteld. De Nederlandse rechter heeft echter rechtsmacht op grond van artikel 9 sub b Rv Pro, omdat een procedure elders onmogelijk is en het belang van het familie- en gezinsleven volgens EVRM en IVRK bescherming vereist.
Het hof stelde vast dat het belang van het kind centraal staat bij de beslissing over de hoofdverblijfplaats. Omdat de vader het contact tussen moeder en kind belemmert en het kind de moeder al bijna drie jaar niet heeft gezien, is het in het belang van het kind dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder krijgt. De moeder staat open voor contact tussen vader en kind, wat het familieleven bevordert.
Het hoger beroep van de moeder slaagt, de bestreden beschikking wordt vernietigd en het hof bepaalt dat het kind met ingang van heden haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de moeder vastgesteld.