Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2001 gehuwd op huwelijkse voorwaarden en zijn in 2022 gescheiden. Het geschil betreft de financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, met name de waardering en verrekening van het vermogen van de man, die een agrarisch eenmansbedrijf exploiteert, en de banksaldi van beide partijen.
De man betwist de omvang van de verrekenvordering en verzoekt onder meer om nihil verrekening of een lager verrekenpercentage van maximaal 22,18% van de waarde van zijn onderneming. De vrouw stelt dat bepaalde banksaldi niet tot het te verrekenen vermogen behoren omdat deze uit erfenissen en schenkingen bestaan.
Het hof oordeelt dat de banksaldi van de vrouw, die uit erfenissen en schenkingen stammen, niet verrekend hoeven te worden. Voor de waardering van de agrarische onderneming met woning wordt een deskundige benoemd om de going concern waarde en financieringsmogelijkheden te bepalen, waarbij het uitgangspunt is dat 45,38% van de onderneming uit overgespaard inkomen is betaald en de vrouw recht heeft op de helft daarvan. Het hof houdt verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de deskundige en kosten.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en benoemt een deskundige voor waardering van de agrarische onderneming en stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de deskundige en kosten.