Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gescheiden ouders van een minderjarige geboren in 2013. De vader heeft het kind erkend en de moeder heeft uit een andere relatie een zoon. Sinds het uiteengaan woont het kind bij de moeder. De vader heeft in 2016 een omgangsregeling gekregen en in 2018 werd zijn verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen. In 2021 heeft hij opnieuw gezamenlijk gezag gevraagd, waarna de rechtbank in februari 2022 het gezamenlijk gezag toekende.
De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzocht het gezamenlijk gezag af te wijzen. Zij stelde dat de communicatie tussen de ouders slecht is en dat de omgang sinds februari 2022 is opgeschort. Het hof constateerde echter dat het ontbreken van goede communicatie niet automatisch betekent dat gezamenlijk gezag niet mogelijk is. De vader heeft geen gezagsbeslissingen belemmerd en wil medewerking verlenen aan medische zorg voor het kind.
De raad voor de kinderbescherming maakte zich zorgen over het welzijn van het kind, dat gezondheidsproblemen en sociale uitdagingen kent. Het kind mist de vader en het ontbreken van omgang is schadelijk. Het hof benadrukte dat gezamenlijk gezag de vader een gelijkwaardige positie geeft in lopende onderzoeken en medische trajecten, wat in het belang van het kind is. Het gezamenlijk gezag voorkomt dat de vader buiten beeld raakt.
Het hof concludeerde dat er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem raakt tussen de ouders en dat afwijzing van het verzoek niet noodzakelijk is. Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het gezamenlijk gezag gehandhaafd.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het gezamenlijk gezag van de ouders over het minderjarige kind.