De zaak betreft de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2015, die sinds oktober 2022 onder toezicht stonden van een gecertificeerde instelling. De ouders hadden samen het gezag, maar de kinderen woonden bij de moeder. De vader had sinds de zomer van 2022 geen omgang meer met de kinderen. De moeder ging in hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling die door de kinderrechter was opgelegd op verzoek van de raad voor de kinderbescherming.
Het hof oordeelde dat de beslissing van de kinderrechter destijds terecht was vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en onvoldoende vrijwillige medewerking van de moeder aan hulpverlening. Inmiddels is de situatie veranderd: de moeder werkt goed samen met hulpverleners, waaronder een zorgboerderij en gespecialiseerde instellingen, en biedt meer structuur en duidelijkheid aan de kinderen. De zorgen over de moeder zijn verminderd door haar inzet en de ondersteuning die zij ontvangt.
De vader daarentegen toont weinig medewerking en er is geen verbetering in de omgangssituatie. Desondanks acht het hof de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk omdat de bedreiging niet meer ernstig is. Het hof concludeert dat de resterende zorgen kunnen worden aangepakt binnen een vrijwillig kader. Daarom wordt de ondertoezichtstelling per direct beëindigd en het verzoek van de raad tot voortzetting afgewezen.