ECLI:NL:GHARL:2023:2958

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 april 2023
Publicatiedatum
5 april 2023
Zaaknummer
GEMW 200.312.391/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 154b GemeentewetArt. 154k GemeentewetArt. 7:1 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar bestuurlijke boete wegens te late indiening

Eiser maakte bezwaar tegen een bestuurlijke boete opgelegd op grond van artikel 154b van de Gemeentewet. De kantonrechter had het beroep van eiser terugverwezen naar het college van burgemeester en wethouders, maar het hof vernietigt deze beslissing omdat hoofdstuk 8 van de Awb niet van toepassing is op deze beroepsprocedure.

Het geschil betreft de vraag of de bestuurlijke boete op juiste wijze bekend is gemaakt en of het bezwaar tijdig is ingediend. De beschikking is op 26 mei 2021 verzonden naar het adres waar eiser toen in de BRP stond ingeschreven. Hoewel eiser kort daarna verhuisde, rust op het bestuursorgaan geen verplichting om na te gaan of een adreswijziging heeft plaatsgevonden.

Eiser stelde dat de bezwaartermijn pas begon te lopen na de deugdelijke bekendmaking op het nieuwe adres in oktober 2021, maar het hof oordeelt dat de termijn op 7 juli 2021 is geëindigd. Het bezwaarschrift is pas op 30 november 2021 ontvangen en is daarmee te laat. Ook een coulancetermijn die verweerder gaf tot 24 oktober 2021 werd niet benut.

Het hof verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing op bezwaar wordt ongegrond verklaard wegens te late indiening van het bezwaarschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.312.391/01
Uitspraak d.d.
: 5 april 2023
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2022, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van eiser is W.H.C.M. Hol, kantoorhoudende te Utrecht .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser terugverwezen naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder). Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk [nummer1] .

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Daarbij is verzocht om een proceskostenvergoeding.
Eiser heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Namens eiser wordt onder meer aangevoerd dat de kantonrechter het beroep niet had mogen terugwijzen naar verweerder, maar een beslissing had moeten nemen op de beroepsgronden gericht tegen de beslissing op bezwaar.
2. Het betoog van eiser treft doel. Kennelijk heeft de kantonrechter beoogd toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 154k van de Gemeentewet is hoofdstuk 8 van de Awb in de beroepsprocedure ten aanzien van bestuurlijke boetes als deze echter buiten toepassing verklaard. Alleen al daarom kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van verweerder beoordelen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter hoeven geen bespreking meer.
3. Verweerder heeft het bezwaar tegen de bestuurlijke boete ongegrond verklaard, omdat het niet tijdig zou zijn ingesteld.
4. Namens eiser wordt gesteld dat hij op het moment van de verzending, althans van de bezorging, van de bestuurlijke boete niet meer woonachtig was op het adres waarnaar de beschikking is verzonden ( [adres] te [woonplaats] ). Eiser stond vanaf 31 mei 2021 in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op een nieuw adres in [plaats1] . Verweerder had er dus van op de hoogte kunnen zijn dat de beschikking eiser niet meer bereikte. Dat geldt te meer nu verweerder de beschikking kennelijk eind mei of begin juni retour heeft ontvangen. Medio september is eiser opnieuw verhuisd naar een adres in [woonplaats] . Wat eiser betreft is pas kort na 12 oktober 2021, toen de beschikking op dat nieuwe adres is aangeboden, sprake geweest van een deugdelijke bekendmaking. Dat brengt mee dat volgens eiser de bezwaartermijn eerst toen is aangevangen. Eiser stelt het bezwaarschrift op 19 oktober 2021 te hebben verzonden.
5. Tegen de beschikking waarbij de bestuurlijke boete wordt opgelegd, kan binnen zes weken bezwaar worden gemaakt. Dat volgt uit artikel 154k, eerste lid van de Gemeentewet, en de artikelen 7:1, 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het maken van bezwaar begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan eiser bekend is gemaakt.
6. Uit het dossier blijkt dat de beschikking op 26 mei 2021 is toegestuurd aan het adres [adres] in [woonplaats] . Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de beschikking met toezending aan dat adres behoorlijk is bekend gemaakt.
7. Bekendmaking van beschikkingen als deze geschiedt op grond van artikel 3:41 van Pro de Awb door toezending of uitreiking daarvan aan de belanghebbende. Volgens bestendige bestuursrechtelijke jurisprudentie mag een bestuursorgaan zich bij de toezending van ambtshalve genomen besluiten baseren op de gegevens uit de BRP (vgl. ABRvS 20 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8823 en CRvB 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4476). Niet in geding is dat eiser op 26 mei 2021 en de vier daaropvolgende dagen in de BRP stond ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] . Gelet daarop heeft verweerder de bestuurlijke boete op de juiste wijze bekendgemaakt.
8. De namens eiser ingenomen stelling dat verweerder als gevolg van eisers inschrijving op een ander adres per 31 mei 2021 had moeten overgaan tot het (opnieuw) bekendmaken van de beschikking, vindt geen steun in het recht. Op een bestuursorgaan rust niet de verplichting om, nadat een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, na te gaan of adreswijzigingen plaatsvinden. Veeleer ligt het op de weg van degene die verhuist een deugdelijke voorziening te treffen voor doorzending van voor hem bekende poststukken die nog op zijn oude adres worden bezorgd. Voor zover eiser dat heeft nagelaten, komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening.
9. De omstandigheid dat verweerder de beschikking op 4 juni 2021 retour ontving, vergezeld van een anonieme brief dat eiser niet op het betreffende adres woonachtig is, leidt niet tot een andere conclusie. Die omstandigheid doet aan de deugdelijke bekendmaking op 26 mei 2021 niet af.
10. Ingevolge de artikelen 6:8, eerste lid, en 6:7 van de Awb eindigde de bezwaartermijn op 7 juli 2021. Het namens eiser ingediende bezwaarschrift, dat zich in het dossier bevindt, is op 30 november 2021 per e-mail ontvangen door verweerder. De gemachtigde van eiser heeft gesteld op 19 oktober 2021 een bezwaarschrift te hebben verzonden, maar die stelling niet aannemelijk gemaakt.
11. Overigens merkt het hof nog op dat naar aanleiding van de anonieme brief die op 4 juni 2021 werd ontvangen verweerder - onverplicht en kennelijk uit coulance - bij brief van 12 oktober 2021 een extra termijn aan eiser heeft geboden om bezwaar te maken. Deze termijn eindigde op 24 oktober 2021. Nu ook binnen deze verlengde termijn geen bezwaarschrift is ontvangen, heeft verweerder het bezwaar terecht ongegrond verklaard.
12. Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.