Tussen twee projectontwikkelaars, DLH Ontwikkeling Zwolle B.V. en Park Veste Beheer B.V., is een ontwikkelovereenkomst gesloten voor de herontwikkeling van het voormalige KPN-kantoor aan de Parkstraat 1 in Zwolle. DLH vorderde betaling van openstaande facturen en nakoming van de overeenkomst, terwijl PVB stelde dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd en dat zij teveel had betaald.
De rechtbank Overijssel wees de vordering van DLH deels toe en wees de overige vorderingen af. In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat DLH geen belang meer heeft bij nakoming van de overeenkomst, omdat de feitelijke betrokkenheid bij het project is geëindigd en verdere samenwerking niet meer aan de orde is. Het hof oordeelde dat afrekening tussen partijen moet plaatsvinden, hetzij op basis van de beëindigingsafspraken, hetzij op grond van de redelijkheid en billijkheid die de overeenkomst beheerst.
Het hof concludeerde dat de grondslag voor afrekening in beide gevallen identiek is en dat de hogere ontwikkelkosten waarop DLH zich beroept niet voldoende zijn onderbouwd. De oorspronkelijke exploitatieopzet met een vergoeding van 5% van de stichtingskosten, gesteld op € 625.000,-, blijft de juiste grondslag. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde DLH in de proceskosten van het hoger beroep.