ECLI:NL:GHARL:2023:2823

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2023
Publicatiedatum
3 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.309.668
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Artikel 7:17 AwbArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebesluit wegens schending hoorplicht en matiging sanctie bij verkeersovertreding

De betrokkene werd beboet voor het rijden met 97 km/u waar 80 km/u was toegestaan op de A20 in Rotterdam. De kantonrechter wees het beroep af, maar het gerechtshof vernietigt deze beslissing. Uit het dossier blijkt dat de snelheid correct is vastgesteld met een goedgekeurde trajectsnelheidsmeter en dat het verkeersbord A1 met 80 km/u correct was weergegeven op het matrixbord.

De betrokkene stelde dat de processtukken onvolledig waren en dat de feitcode onjuist was toegepast, maar het hof verwierp deze bezwaren. Wel werd vastgesteld dat de betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord, wat een schending van de hoorplicht inhoudt. Omdat de betrokkene zonder professionele gemachtigde optrad, leidt dit tot een matiging van de sanctie met 25%.

Het hof wijzigt de boete naar € 105,75 en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: Boete gematigd tot € 105,75 wegens schending hoorplicht en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.309.668/01
CJIB-nummer
: 238054387
Uitspraak d.d.
: 3 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Van de gemachtigde is op 5 december 2022 nog een e-mail ontvangen. Een afdruk van deze e-mail is doorgezonden aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 141,- voor: “VM017 - 17 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 november 2020 om 20:02 uur op de A20 in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan pas in hoger beroep beschikking te hebben gekregen over beide foto’s. Deze wijze van informatievoorziening door het openbaar ministerie gebeurt ook bij het in geding brengen van schouwrapporten. Er is volgens de gemachtigde sprake van misbruik van recht waardoor hij als rechtsbijstandsverlener iedere keer op kosten wordt gejaagd. Daarbij voldoen de overgelegde schouwrapporten en foto’s niet aan de daaraan te stellen eisen. De schouwrapporten bevatten geen lijst met incidenten rondom de betreffende bebording (ECLI:NL:GHARL:2022:3191) terwijl de foto’s niet het traject vermelden (ECLI:NL:GHARL:2017:2855). Ook voert de gemachtigde aan dat het opmerkelijk is dat bij de zitting van de kantonrechter iemand anders verklaarde op hetzelfde moment ter plaatse te zijn geweest en – net als de betrokkene - te hebben waargenomen dat de maximumsnelheid 100 km/u was. Verder is een onjuiste feitcode toegepast, nu de gestelde snelheid was weergegeven op een matrixbord en niet op een A1 bord.
3. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houden de gegevens in het zaakoverzicht - kort samengevat - in dat is gemeten dat met het voertuig met voormeld kenteken een (gecorrigeerde) snelheid is gereden van 97 km/h op de onder 3. genoemde datum, tijd en plaats, waar een toegestane snelheid gold van 80 km/u. De gereden snelheid is vastgesteld door middel van een voor de meting getest, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter. Het dossier bevat verder twee foto’s van de gedraging. Het voertuig op de foto’s is blijkens het kenteken het voertuig van de betrokkene. In het fotobijschrift zijn onder meer datum, tijdstip en locatie opgenomen zoals vermeld in de inleidende beschikking. Tot slot bevat het dossier schouwrapporten van respectievelijk 15 november 2020 en 29 november 2020.
4. Bij het verweerschrift heeft de advocaat-generaal afdrukken gevoegd van de instellingen van de matrixborden ten tijde van de gedraging. Verder is een afdruk gevoegd van een NMi-verklaring van 13 juli 2020 waarop onder meer het begin- en eindpunt van de onderhavige trajectmeting zijn weergegeven.
5. Naar oordeel van het hof kan uit voornoemde afdrukken met de matrix-instellingen afdoende worden afgeleid dat de maximumsnelheid ten tijde van de gedraging 80 km/u was. Het hof ziet in de enkele stelling dat de betrokkene en een andere bestuurder - wat hier verder van zij- een maximumsnelheid van 100 km/u hebben waargenomen geen reden om aan deze gegevens te twijfelen. Uit de afdrukken blijkt niet dat zich incidenten hebben voorgedaan met de matrixborden ten tijde van de gedraging. De stelling dat de sanctie moet worden vernietigd, omdat het traject niet op de foto’s is vermeld, volgt het hof niet, nu het dossier een NMi-verklaring bevat waarin deze informatie is weergegeven. Ook volgt het hof de stelling niet dat een verkeerde feitcode is toegepast, nu op de matrixborden het bord A1 is weergegeven (vergelijk artikel 64a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). De sanctie mocht daarom ook onder feitcode VM017 worden opgelegd.
6. Ten aanzien van de stelling dat de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen omdat de tweede foto pas in hoger beroep is overgelegd, overweegt het hof als volgt. Geen rechtsregel staat in de weg aan het in een later stadium van het geding inbrengen van nadere stukken. Uitgangspunt daarbij in elke stand van de procedure is dat de wederpartij in de gelegenheid is (geweest) om kennis te nemen van de inhoud van die stukken en daar - indien gewenst - op te reageren. Hoewel het onzorgvuldig te noemen is dat de tweede foto niet eerder is overgelegd terwijl daar wel om was verzocht, is deze bij het verweerschrift alsnog aan de gemachtigde verzonden en is de gemachtigde in de gelegenheid geweest om hierop te reageren. Dat de gemachtigde door deze gang van zaken zodanig in enig rechtens te respecteren belang is geschaad dat hierin aanleiding moet worden gevonden voor toekenning van een proceskostenvergoeding, valt niet in te zien.
7. De gemachtigde beklaagt zich tot slot over de schending van de hoorplicht. In dit kader wordt een beroep gedaan op het arrest van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
8. In dit geval heeft de betrokkene in administratief beroep zelf, dat wil zeggen zonder (professioneel) gemachtigde, geprocedeerd. De betrokkene heeft niet verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, terwijl hem ook geen termijn is gesteld om te verklaren dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Evenmin is sprake van een van de andere uitzonderingen op de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:17 van Pro de Awb, zodat de officier van justitie de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.
9. Voornoemde omstandigheid leidt in een situatie als hier - waarin de betrokkene zich niet heeft laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en om die reden van het horen is afgezien - tot matiging van het bedrag van de sanctie met vijfentwintig procent (vergelijk voormeld arrest van het hof). Dit leidt tot de hiernavolgende beslissing.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere toelichting op het hoger beroep dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.464,75 (= 3,5 x € 837,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 105,75‬;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.464,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.