ECLI:NL:GHARL:2023:1444

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2023
Publicatiedatum
17 februari 2023
Zaaknummer
Wahv 200.307.497
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie snelheidsovertreding binnen bebouwde kom

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €235,- opgelegd voor het rijden met 23 km/u te hard binnen de bebouwde kom op 1 februari 2020 te Rijswijk. De betrokkene betwistte dat hij een bord H1 was gepasseerd en stelde dat de officier van justitie onvoldoende bewijs leverde dat het bord daadwerkelijk aanwezig was op de route.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het gerechtshof oordeelde anders. Het hof stelde vast dat de ambtenaar die de overtreding constateerde niet had vastgesteld dat op de route een bord H1 stond en dat er geen aanvullende stukken waren die dit bevestigden. Ook ontbrak informatie over de aanwezigheid van het bord binnen zes maanden voor en na de overtreding.

Daarmee kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de overtreding binnen de bebouwde kom had plaatsgevonden. Het hof vernietigde daarom de sanctie en de beslissing van de officier van justitie. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene van €1.284,75.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de sanctie wegens onvoldoende bewijs van aanwezigheid van bord H1 en wijst proceskosten toe aan betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.307.497/01
CJIB-nummer
: 231568540
Uitspraak d.d.
: 17 februari 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 20 december 2022 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene binnengekomen. Deze is (in kopie) naar de advocaat-generaal verzonden.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 235,- voor: “23 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 februari 2020 om 00:40 uur op de Rembrandtkade in Rijswijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene betwist dat hij een bord H1 is gepasseerd. De betrokkene is via de A4 de Laan van Delfvliet richting de Lindelaan en de Rembrandtkade gereden. Nu de rijroute kenbaar is gemaakt, dient de advocaat-generaal middels schouwrapporten aan te tonen dat het bord H1 er heeft gestaan en dat er dus sprake was van de bebouwde kom.
3. In het zaakoverzicht is vermeld dat de gedraging is geconstateerd met behulp van een gekalibreerde boordsnelheidsmeter, dat de (gecorrigeerde) snelheid 73 km/h en de toegestane snelheid 50 km/h bedroeg en dat de gedraging plaatsvond binnen de bebouwde kom.
4. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 9 mei 2020 waarin de ambtenaar, voor zover van belang, verklaart dat het voertuig hem opviel en dat hij zag dat het voertuig met aanzienlijke hoge snelheid door de bebouwde kom van de gemeente Rijswijk reed en dat hij besloot om achter het voertuig aan te gaan.
5. De gemachtigde betwist de plaatsing van een bord H1. Om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht, is niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat iedere toegangsweg tot de bebouwde kom van een bord H1 is voorzien. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden is voorzien van een bord H1.
6. In dit geval was de ambtenaar ter plaatse. Dit brengt doorgaans mee dat er van mag worden uitgegaan dat de ambtenaar de bebording heeft gecontroleerd. In dit geval kan naar het oordeel van het hof echter niet ervan worden uitgegaan dat de ambtenaar de bebording heeft gecontroleerd. Het voertuig van de betrokkene viel de ambtenaar op op het moment dat de ambtenaar en de betrokkene zich al binnen de bebouwde kom bevonden. Dat de ambtenaar op dezelfde locatie als de betrokkene een bord H1 is gepasseerd is, zonder aanvullende informatie van de ambtenaar, niet aannemelijk.
7. Vervolgens is het uitgangspunt dat de aanwezigheid van de bebording ten tijde van de gedraging met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld als blijkt dat deze bebording aanwezig was op enig moment niet meer dan zes maanden vóór en niet meer dan zes maanden ná de gedraging. Is één van deze termijnen langer, dan zal uit (nadere stukken) moeten blijken dat na verificatie van daarvoor beschikbare bronnen is gebleken dat dit bord in de tussentijd niet is verwijderd of vervangen (vgl. het arrest van het hof van 12 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7804).
8. Het dossier bevat geen informatie over de aanwezigheid van een bord H1. Dit betekent dat op grond van de in deze zaak aanwezige informatie niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er op de rijroute van de betrokkene een bord H1 aanwezig was. Nu deze grond al in beroep bij de kantonrechter is aangevoerd en de advocaat-generaal ondanks de daartoe geboden gelegenheid geen verweerschrift heeft ingediend, ziet het hof geen aanleiding meer om nog nadere informatie over de bebording op (te doen) vragen. Niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen door de officier van justitie op 7 april 2020 een half punt toekennen. Naar aanleiding van deze hoorzitting heeft de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal opgevraagd. Vervolgens is de gemachtigde op 23 juni 2020 nogmaals telefonisch gehoord. Hiervoor wordt echter geen kwart punt toegekend, nu de gemachtigde daar slechts naar voren heeft gebracht dat hij blijft bij hetgeen hij de vorige hoorzitting naar voren heeft gebracht. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.284,75 (= 1,5 x € 597,- x 0,5 + 2 x € 837,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.284,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.