Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij de box 3-heffing werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof de juiste waardering van onroerende zaken en het forfaitair rendement voor het aandeel in de VvE-reserves bij de berekening van het rechtsherstel box 3. Het hof stelde vast dat bij het bepalen van de leegwaarderatio uitgegaan moet worden van de kale huurprijs, exclusief vergoeding voor bijkomende diensten, conform het uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.
Verder oordeelde het hof dat voor het aandeel in de VvE-reserves het forfaitair rendement van bank- en spaartegoeden (0,12%) moet worden gehanteerd in plaats van het hogere tarief voor overige bezittingen (5,38%), omdat het rendement op deze reserves lager is en zij op een aparte betaal- of spaarrekening worden aangehouden.
Op basis van deze uitgangspunten werd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd, hetgeen leidde tot vermindering van de aanslag en belastingrente. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.