Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:10616

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
200.332.499/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 lid 1 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens bedreiging ontwikkeling minderjarige en gebrekkig contact met vader

De moeder en vader hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, dat bij de moeder en stiefvader woont. Sinds juni 2020 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI), met meerdere verlengingen. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling tot maart 2024.

Het hof stelt vast dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd omdat de moeder de zorgen niet erkent en het contact met de vader zeer beperkt is. Het contact bestaat uit een bezoek om de week op maandag na school, zonder verdere uitbreiding van de zorgregeling. De vader wil meer contact, maar de minderjarige uit angst en terughoudendheid. De ouders communiceren nauwelijks en zijn niet in staat samen te werken om het contact te verbeteren.

Het hof benadrukt het belang van een kwalitatief sterke band tussen de minderjarige en zijn vader voor de ontwikkeling van identiteit en autonomie. De GI wil een kindercoach inschakelen om de belemmeringen te onderzoeken, maar deze hulp is nog niet gestart. De moeder heeft pas recent enige bereidheid getoond tot medewerking, maar het hof acht de acceptatie van noodzakelijke hulp onvoldoende.

Gelet op deze omstandigheden bekrachtigt het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling. De GI blijft een belangrijke rol spelen in het bevorderen van onbelast contact en het inzetten van hulpverlening voor het kind.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 4 maart 2024 vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en onvoldoende acceptatie van noodzakelijke hulp.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.332.499
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 555089)
beschikking van 14 december 2023
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam
en
de gecertificeerde instelling
stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vader,
en
[de stiefvader],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de stiefvader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 juli 2023, uitgesproken onder zaaknummer 555089 (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 september 2023;
- het verweerschrift; en
- een brief van mr. De Gruijl van 25 oktober 2023 met producties.
2.2
De minderjarige [de minderjarige] heeft op 31 oktober 2023 met een van de raadsheren gesproken over het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder en de stiefvader, bijgestaan door mr. De Gruijl;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de vader; en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011 in [plaats1] . De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.
3.2
Bij beschikking van 4 juni 2020 is [de minderjarige] voor het eerst onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is (tot de bestreden beschikking) telkens verlengd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 4 maart 2024. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen.
4.3
De GI voert verweer en zij vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd. De strekking van zijn verweer is eveneens dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 lid 1 en Pro artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, omdat de moeder de zorgen die er zijn over [de minderjarige] niet ziet en/of erkent.
De moeder stelt dat er ‘ruimhartig en onbelast’ contact tussen [de minderjarige] en de vader is. Het hof volgt de moeder hierin niet.
Het contact tussen [de minderjarige] en de vader is sinds 2019 zeer beperkt. [de minderjarige] gaat op dit moment om de week op maandag uit school naar de vader toe en blijft daar eten. Het is onduidelijk waarom er geen uitgebreidere zorgregeling of contact tussen [de minderjarige] en zijn vader tot stand komt.
De vader heeft aan het hof verteld dat de omgang – in de beperkte tijd die er is – goed verloopt. De moeder heeft dat op de mondelinge behandeling bevestigd; ze heeft verteld dat [de minderjarige] blij terugkomt van de vader. De vader wil graag meer contact met [de minderjarige] en woont tegenover zijn school, zodat er in praktische zin geen beletsel is. De moeder heeft echter aan het hof verteld dat [de minderjarige] haar heeft gezegd dat hij bang is dat hij niet lekker wordt als hij bij de vader is.
Net als de raad en de GI vindt het hof het cruciaal voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat [de minderjarige] een zorgregeling met de vader heeft die hen beiden in staat stelt een kwalitatief sterke band met elkaar op te bouwen. Bij kinderen die een ouder niet of niet voldoende zien, kan de ontwikkeling van hun identiteit en autonomie in de knel komen. Hoewel de moeder zegt dat zij [de minderjarige] stimuleert in het contact met de vader heeft dat nog steeds niet geleid tot uitbreiding van de zorgregeling. Het hof vindt het gebrek aan contact tussen [de minderjarige] en de vader zorgelijk.
Ook weegt het hof mee dat de ouders niet in staat zijn om met elkaar samen te werken en te communiceren. Zoals de vader heeft gesteld en door de moeder niet is weersproken, is er nauwelijks contact tussen hen. Het hof verwacht niet – nu dat tot op heden ook niet is gelukt – dat de ouders samen in staat zijn om er voor te zorgen dat [de minderjarige] onbelast contact met de vader heeft, zonder sturing van buitenaf. De GI zal daarin een rol moeten spelen.
Het hof sluit zich ten slotte aan bij de opmerking van de raad dat het zorgelijk is dat [de minderjarige] – zoals hij heeft laten weten in het gesprek met het hof en de brief die hij aan het hof heeft gegeven – een negatief beeld heeft van de GI en van hulpverleners. [de minderjarige] wordt blijkbaar, bewust of onbewust, belast met ‘volwassenen zaken’, zoals de weerstand van de moeder tegen de GI.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat zij een kindercoach voor [de minderjarige] wil inschakelen om te achterhalen waarom [de minderjarige] zich niet vrij voelt om (meer) naar de vader toe te gaan. Deze kindercoach zal ook naar [de minderjarige] gaan kijken als onderdeel van het (gezins)systeem. Het hof vindt het van belang dat deze hulp voor [de minderjarige] wordt ingezet. Hoewel de moeder en de vader tijdens de mondelinge behandeling beiden hebben gezegd dat zij hieraan zullen meewerken, is het hof van oordeel dat de hulp die nodig is om de zorgen weg te nemen, onvoldoende wordt geaccepteerd in de zin van artikel 1:255 lid 1 onder Pro a BW. Aan de ene kant komt het hof tot dit oordeel omdat de moeder eerder niet bereid was om mee te werken aan door de GI ingezette hulpverlening en er pas sinds kort daarin een kleine verandering zichtbaar is. Aan de andere kant is dat omdat de noodzakelijke hulp zodanig moet worden geaccepteerd en benut dat het gewenste effect wordt bereikt. [1] Hiervan is nog geen sprake, omdat de kindercoach nog niet is gestart en het hof – vanwege het gebrek aan communicatie en samenwerking tussen de ouders – net als de GI en de vader, niet verwacht dat de ouders in staat zijn om de kindercoach samen in te schakelen en de juiste (onderzoeks)doelen te geven.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 juli 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, M.H.F. van Vugt en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 14 december 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:218