ECLI:NL:GHARL:2022:9527
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenvonnis inzake afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn in 2005 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en in 2019 gescheiden. Na de echtscheiding ontstond een geschil over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van gemeenschappelijke goederen. De vrouw heeft de man gedagvaard met diverse vorderingen, waarop de man tegenvorderingen heeft ingesteld.
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 juni 2021 een tussenvonnis gewezen waarin zij bepaalde instructies gaf voor het verstrekken van stukken en bewijslevering, maar geen eindbeslissing nam over de hoofdzaak. De man is tegen dit tussenvonnis in hoger beroep gekomen en heeft vijf grieven geformuleerd.
De vrouw heeft betoogd dat het vonnis een zuiver tussenvonnis betreft waartegen geen hoger beroep openstaat op grond van artikel 337 Rv Pro. Het hof volgt dit standpunt en oordeelt dat het tussenvonnis uitsluitend de voortgang van de procedure in eerste aanleg instrueert en geen einde maakt aan de vorderingen in de hoofdzaak.
Het hof verwijst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 843a Rv en bevestigt dat een beslissing op een incidentele vordering tot overlegging van bescheiden een tussenvonnis is. Daarom verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en veroordeelt hem in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis en veroordeeld in de proceskosten.