Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebepaling van een winkelpand gelegen aan een A1-locatie in het centrum van een stad, vastgesteld op € 939.000 per 1 januari 2019. Na afwijzing van het bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak die het beroep ongegrond verklaarde.
De kern van het geschil betrof de hoogte van de kapitalisatiefactor in het taxatierapport dat de waarde onderbouwt. Belanghebbende stelde dat de gehanteerde leegstandsrisico en risico-opslag te laag waren, en pleitte voor een lagere waarde van circa € 641.000. De heffingsambtenaar verdedigde de waarde met een gedetailleerd taxatierapport, waarin een kapitalisatiefactor van 14,0 werd berekend op basis van een 'bottom-up' methode.
Het hof oordeelde dat het lage leegstandsrisico van 7,5% passend is gezien de locatie en gebruikshistorie, en dat de risico-opslag van 5,35% binnen de bandbreedte van de Taxatiewijzer valt. De hogere risico-opslag en leegstandsrisico van belanghebbende werden als onrealistisch hoog verworpen. De vergelijking met andere objecten faalde vanwege gebrek aan vergelijkbare marktgegevens.
Daarmee bood het taxatierapport voldoende steun voor de vastgestelde waarde en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. Het hof kende geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toe.