Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant was van 1981 tot 2017 in dienst bij Rabobank en nam in 2006 deel aan de aanvullende pensioenregeling Flexioen, gekoppeld aan het Rabobank Pensioenfonds (RPF). Hij baseerde zijn deelname op een brochure die onjuiste informatie gaf over de werking van het Flexioen, namelijk dat het kapitaal na uitdiensttreding zou blijven renderen tot pensioendatum. Na wijzigingen in pensioenwetgeving werd het opgebouwde kapitaal bij uitdiensttreding direct toegevoegd aan het pensioenkapitaal.
Appellant stelde dat RPF onrechtmatig handelde door hem in 2006 onjuist te informeren en hem niet correct te informeren over latere wijzigingen, waardoor hij schade leed. De kantonrechter wees zijn vorderingen af. In hoger beroep bevestigde het hof dat RPF in 2006 onjuiste informatie gaf, maar dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor schade heeft geleden, mede omdat hij niet heeft gesteld dat hij bij juiste informatie niet zou hebben deelgenomen.
Het hof oordeelde dat RPF na 2006 voldoende informatie heeft verstrekt via elektronische nieuwsbrieven en het HR-portaal, en dat appellant deze informatie heeft ontvangen en geaccepteerd. Het hof concludeerde dat er geen causaal verband is tussen de onjuiste informatie en de gestelde schade. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.