Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De feiten
3.De omvang van het geschil
4.De motivering van de beslissing
Ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek van de vader bij de rechtbank woonde [de minderjarige] bij de moeder in [woonplaats1] en had dus toen haar gewone verblijfplaats in Nederland. Gelet op artikel 8 van Pro de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel IIbis) heeft de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht en was de rechtbank Midden-Nederland bevoegd tot behandeling van het verzoek van de vader. Daarom is dit hof eveneens bevoegd om dit hoger beroep te beoordelen.