Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
de vrouw,
de man,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, die in 1993 zijn gehuwd en in 2016 zijn gescheiden, sloten een convenant over de verdeling van hun vermogen en huurinkomsten uit gemeenschappelijk onroerend goed. De vrouw vordert betaling van een bedrag wegens vermeende tekortkomingen van de man in de nakoming van het convenant, met name over de huurinkomsten van een perceel dat aan een vennootschap werd verhuurd.
De rechtbank had geoordeeld dat partijen de huurinkomsten over 2016-2018 moesten verrekenen volgens het convenant, waarbij de vrouw een bedrag van €13.500,- toekwam. Beide partijen gingen in hoger beroep met meerdere grieven over de huurprijs, de wijze van verrekening en de nakoming van het convenant.
Het hof oordeelt dat de man eenzijdig de huurprijs heeft verlaagd door zonder overleg een huurovereenkomst te sluiten met een vennootschap waarvan hij bestuurder is, en dat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het hof stelt daarom een fictieve marktconforme huurprijs vast van €21.000,- per jaar voor de periode oktober 2017 tot en met december 2020 en bepaalt dat partijen de netto huuropbrengsten bij helfte moeten delen.
Verder veroordeelt het hof de vrouw tot betaling van een bedrag aan de man en andersom, met wettelijke rente, en compenseert de proceskosten. Vorderingen over latere perioden en overige geschilpunten worden afgewezen of onbesproken gelaten.
Het arrest is gewezen door Marquenie, Bakker en Van Dijk en op 21 juni 2022 uitgesproken.
Uitkomst: Het hof wijzigt het convenant en bepaalt dat partijen de netto huuropbrengsten bij helfte delen op basis van een fictieve huurprijs van €21.000,- per jaar, met wederzijdse betalingsverplichtingen en compensatie van proceskosten.