ECLI:NL:GHARL:2022:3851

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 mei 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.291.178/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahvartikel 61a RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiel tijdens rijden zonder staandehouding

De betrokkene kreeg een boete van €240 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 26 september 2019 in Hilversum. De betrokkene ontkende deze gedraging en voerde aan dat de ambtenaar zijn waarneming niet zorgvuldig had vastgelegd en dat er sprake was van schending van artikel 5 van Pro de Wahv.

Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar voldoende was om de gedraging vast te stellen, ondanks dat niet aan alle instructies was voldaan. De ambtenaar had als spotter gefungeerd en kon de bestuurder niet staande houden omdat deze in een andere rijrichting reed dan waar collega’s stonden.

Volgens het hof is het toegestaan dat ambtenaren bij statische controles kiezen om alleen bestuurders in één rijrichting staande te houden. De sanctie mocht daarom terecht aan de kentekenhouder worden opgelegd. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De boete van €240 voor het vasthouden van een mobiel tijdens het rijden wordt bevestigd ondanks het ontbreken van staandehouding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.291.178/01
CJIB-nummer
: 228867349
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 18 januari 2021, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 september 2019 om 11.00 uur op de Mies Bouwmanboulevard in Hilversum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent dat de betrokkene een mobiele telefoon heeft vastgehouden. Daarbij wordt opgemerkt dat de ambtenaar zijn waarneming in strijd met de eisen die daaraan op grond van de Instructie politie bij de wijziging van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) worden gesteld, niet met voldoende zorgvuldigheid heeft ingevuld. Zo heeft de ambtenaar nergens enig kenmerk van het apparaat, zoals kleur, type, cameralenzen, lichtgevend display of telefoonhouder genoemd. De gemachtigde stelt dat zeker wanneer de ambtenaar niet tot staandehouding over gaat, zoals in het onderhavige geval, de waarneming voldoende specifiek en zorgvuldig dient te zijn. Gelet op de zeer summiere omschrijving van de ambtenaar kan de gedraging niet worden vastgesteld. Verder voert de gemachtigde aan dat wel degelijk sprake is van schending van artikel 5 van Pro de Wahv. Uit het aanvullend proces-verbaal volgt dat niet met zekerheid te zeggen is waarom de bestuurder niet is staandegehouden. Bovendien heeft de ambtenaar de onmacht om bepaalde verkeersdeelnemers staande te kunnen houden zelf veroorzaakt. Daarbij noemt de gemachtigde een aantal oplossingen die de ambtenaar had kunnen bedenken. Volgens de gemachtigde kan de inleidende beschikking dan ook niet in stand blijven.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De vaststelling dat een gedraging is verricht, kan worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daartoe aanleiding geeft.
4. Het dossier bevat onder andere een aanvullend proces-verbaal van 20 februari 2020. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:
“Die dag tussen 10.00 uur en 12.00 uur hield ik samen met twee andere collega’s een verkeerscontrole op de Mies Bouwmanboulevard te Hilversum (…).
Ik stond als spotter ter hoogte van de bushalte bij het station Mediapark en de twee andere collega’s stonden ter hoogte van de bushalte bij de Leen Timprotonde om overtreders vervolgens staande te houden als ik een overtreding had waargenomen. Ik stond in de bushalte bij het station Mediapark. Ik stond hier op de stoep waardoor ik goed zicht had in de voertuigen die mij passeerden. Ik had goed zicht in de voertuigen die beide richtingen op reden. Elke keer als ik een overtreding zag noteerde ik in een notitieblok welke overtreding de bestuurder begaan had en op welke manier. Ook noteerde ik direct het kenteken van het betreffende voertuig en ook het betreffende merk en type. Gezien de hoeveelheid collega’s die vrij gemaakt konden worden voor deze verkeerscontrole, hadden wij enkel de mogelijkheid om het verkeer staande te houden dat reed in de richting van de Naarderweg te Hilversum. Als ik een overtreding geconstateerd had waarvan de bestuurder reed in de richting van mijn collega’s, gaf ik dit portofonisch door aan mijn collega’s die bij de Leen Timprotonde stonden zodat zij het betreffende voertuig staande konden houden. Ik gaf portofonisch het merk en type van het voertuig, kenteken en de aard van de overtreding door aan mijn collega’s.
Die dag omstreeks 11.00 uur, zag ik een voertuig mij passeren waarvan de bestuurder van dit voertuig een mobiel elektronisch apparaat vasthield. Ik zag dat dit een mobiele telefoon betrof. Ik zag dat de bestuurder van het voertuig een mobiele telefoon in zijn rechterhand vasthield ter hoogte van het middenconsole. Ik zag dat het scherm van de mobiele telefoon oplichtte en dat de bestuurder keek in de richting van de mobiele telefoon. Ik zag dat het betrokken voertuig voorzien was van het volgende kenteken: [kenteken] . Ik zag dat de bestuurder niet in de richting reed van de controleplaats. Ook waren er op dat moment geen andere collega’s die de betrokken bestuurder kon staande houden, derhalve heb ik besloten om de bekeuring op kenteken uit te schrijven.”
5. Het hof ziet in dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring dat de ambtenaar heeft waargenomen dat de betrokkene met zijn rechterhand tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. Dat de ambtenaar zijn waarneming niet (geheel) overeenkomstig de voorschriften van de door de gemachtigde genoemde instructie van de politie heeft ingevuld, betekent op zichzelf niet dat hij de gedraging, zoals omschreven, niet heeft waargenomen. Deze voorschriften richten zich tot de ambtenaar en de betrokkene kan daaraan geen rechten ontlenen. Overigens heeft de ambtenaar wel vermeld dat hij zag dat sprake was van een oplichtend display en dat de bestuurder naar het apparaat keek. Dit zijn voorbeelden van mogelijke waarnemingsopties zoals opgenomen in voornoemde instructie. Het hof stelt op grond van de verklaring van de ambtenaar dan ook vast dat de gedraging is verricht.
6. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
7. Uit de hierboven weergegeven verklaring van de ambtenaar volgt dat er op dat moment geen reële mogelijkheid bestond tot staandehouding van de bestuurder, omdat de ambtenaar een zogenaamde spotter was, de bestuurder van het voertuig van de betrokkene niet in de richting van de controleplaats reed en er geen andere ambtenaren aanwezig waren die een staandehouding konden verrichten.
8. Anders dan de gemachtigde meent, betekent de omstandigheid dat sprake is van een statische verkeerscontrole niet dat per definitie een reële mogelijkheid bestaat om bestuurders staande te houden. Dat er werkwijzen zijn te bedenken waarin de (reële) mogelijkheid tot staandhouding wel bestaat, zoals door de gemachtigde genoemd, betekent niet dat dat in dit geval ook mogelijk was. De - voor de mogelijkheid van staandehouding van belang zijnde - keuze van de ambtenaar voor de wijze waarop een verkeerscontrole wordt uitgevoerd leent zich slechts voor een uiterst marginale toetsing door de rechter (zie het arrest van dit hof van 27 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8218). De hier toegepaste werkwijze kan die toetsing doorstaan. Nu de ambtenaar als spotter fungeerde en de bestuurder in een richting reed waar geen ambtenaren aanwezig waren die een staandehouding konden verrichten, was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding en mocht de ambtenaar volstaan met het bekeuren op kenteken. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene, als kentekenhouder, opgelegd.
9. De gronden van de gemachtigde treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er bestaat daarom geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.