ECLI:NL:GHARL:2022:2857

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2022
Publicatiedatum
13 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.298.974/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 3, tweede lid, WahvArt. 57 RVV 1990Art. 1 Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de WahvArt. 2, eerste lid, onder d, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering sanctie voor onnodig geluid veroorzaken met motorvoertuig

De betrokkene was door de officier van justitie gesanctioneerd wegens het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig op 8 januari 2020 in Eindhoven. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het hof stelde vast dat de zitting onterecht in afwezigheid van de betrokkene had plaatsgevonden, waardoor het vonnis niet in stand kon blijven.

Het hof oordeelde dat het geluid op het gehoor kon worden vastgesteld zonder dat een meting noodzakelijk was, ondanks dat het voertuig door verschillende instanties was goedgekeurd. De gedraging bestond uit te veel en te lang gas geven, wat onnodig geluid veroorzaakte. Het hof matigde de sanctie op grond van een recente wetswijziging tot €250.

Daarnaast werden de proceskosten en reiskosten van de betrokkene toegewezen, waaronder vergoeding voor 8 uur verlet tegen een uurloon van €15. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, waarmee de sanctie werd verlaagd en proceskosten werden vergoed.

Uitkomst: De sanctie voor onnodig geluid veroorzaken wordt gematigd van €390 naar €250 en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.298.974/01
CJIB-nummer
: 231138365
Uitspraak d.d.
: 13 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 11 mei 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 30 maart 2022. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. De betrokkene voert aan om uitstel van zitting te hebben verzocht. Dit verzoek is ingewilligd door de kantonrechter. De zitting heeft echter in afwezigheid van betrokkene plaatsgevonden.
2. Artikel 12, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen."
3. Het hof stelt op basis van de stukken vast dat voorafgaand aan de zitting aan de betrokkene reeds is meegedeeld dat het verzoek om uitstel was toegewezen en dat de behandeling ter zitting zou worden aangehouden. Door de zaak op de zitting van 11 mei 2021 te behandelen is sprake van schending van artikel 12, eerste lid, van het Wahv. Gelet hierop kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “Als bestuurder van een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets onnodig geluid veroorzaken met dat voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 januari 2020 om 20:45 uur op de Keizersgracht in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De betrokkene voert aan dat niet onderzocht is of het geluid feitelijk de norm overschreed. Er is geen meting gedaan. De vermeende gedraging is daarnaast vastgesteld toen de motor nog koud was. Voor een correcte vaststelling dient een motor zeven minuten te draaien. Het voertuig is door controles van verschillende instanties (RDW, Belastingdienst, Douane) gekomen zonder een opmerking over de geluidsproductie van de uitlaat. Ook de politie heeft de betrokkene hiervoor niet eerder staandegehouden.
6. De bij feitcode R522 behorende gedraging betreft een overtreding van artikel 57 van Pro het RVV 1990, dat luidt:
''Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.''
7. Voornoemd artikel is bedoeld om op te kunnen treden in juist die gevallen waarin een voertuig aan alle daaraan te stellen eisen voldoet, maar daarmee onnodig geluid gemaakt wordt. Onder onnodig geluid moet worden verstaan dat geluid dat sterker is dan het geluid dat het rijden met een naar de eisen van de tijd normaal ingericht voertuig onvermijdelijk veroorzaakt. Van onnodig geluid zal men eerst kunnen spreken zodra het veroorzaakte geluid het normale, geaccepteerde, door voertuigen veroorzaakte geluid te boven gaat. Voor de vaststelling of sprake is van onnodig geluid is niet bepalend of er iemand is die overlast heeft ondervonden van het geluid en evenmin of een bepaald geluidniveau wordt overschreden.
8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij verbalisanten hoorden dat de bestuurder van de auto meerdere malen onnodig veel en lang gas gaf. Hierdoor werd er door de uitlaat onnodig geluid veroorzaakt dat overlast veroorzaakte voor de omgeving. De personenauto was niet voorzien van een fabrieksuitlaat.”
10. De betrokkene heeft een sanctie gekregen voor te lang en te veel gas geven waardoor onnodig geluid is veroorzaakte. Deze gedraging kan op het gehoor worden vastgesteld. Een meting is niet vereist. Dat het voertuig door verschillende keuringen is heen gekomen, is derhalve niet relevant. De gedraging kan worden vastgesteld.
11. Ingevolge artikel 1 van Pro het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering geldt ingaande 1 maart 2022 voor gedragingen als deze een lager sanctiebedrag, namelijk € 250,-. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2330) zal het hof het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie matigen tot dat bedrag.
12. De proceskosten die de betrokkene heeft gemaakt komen voor vergoeding in aanmerking.
13. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 55,80 ( [woonplaats] - Leeuwarden v.v.).
14. De verletkosten worden - ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bpb - vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 7,- en € 88,- per uur bedraagt. Het hof acht het redelijk aan de betrokkene voor het bijwonen van de zitting van het hof een vergoeding voor verletkosten ter hoogte van 8 uren toe te kennen tegen het door de betrokkene opgegeven uurloon van € 15,-. Aan de betrokkene zal derhalve een bedrag van € 120,- aan verletkosten worden vergoed.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt bepaald op € 250,-;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 175,80.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.