Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:2340

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2022
Publicatiedatum
28 maart 2022
Zaaknummer
200.301.425/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Brussel II-bisArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en dwangsom voor omgang vader met minderjarige dochter

In deze civiele zaak betreffende personen- en familierecht heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 maart 2022 een voorlopige voorziening vastgesteld inzake de zorg- en omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter. De rechtbank had eerder een zorgregeling bepaald, maar de moeder werkte hier niet aan mee. De vader verzocht daarom om een preciezere regeling met vaste dagen en tijden en een dwangsom.

Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en het Nederlandse recht toepasselijk is. De moeder had onvoldoende concreetheid van de regeling als reden gegeven voor haar weigering, maar dit werd door het hof niet aannemelijk geacht. Gezien het lange tijd ontbreken van contact tussen vader en dochter en het belang van de omgang, werd het subsidiaire verzoek van de vader toegewezen.

De voorlopige zorgregeling start vanaf 1 april 2022 en voorziet in driemaal per twee weken contact op woensdagmiddag, daarna driemaal per twee weken op zaterdag en vervolgens een weekend per twee weken bij de vader. De moeder moet de dochter brengen en halen. Tevens is een dwangsom van €250 per overtreding opgelegd, tot een maximum van €5.000, om naleving af te dwingen.

De hoofdzaak wordt voortgezet, waarbij ouders worden verwezen naar hulpverlening via een regiebeschikking. Het hof wees overige verzoeken af en benadrukte het belang van een geleidelijke opbouw van de omgang in het belang van het kind.

Uitkomst: Het hof wijzigt de voorlopige zorgregeling met vaste dagen en tijden en legt een dwangsom op aan de moeder bij niet-naleving.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.301.425/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 174406)
beschikking van 24 maart 2022 inzake voorlopige voorzieningen
inzake
[verzoeker](de vader),
wonende te [woonplaats1] (België),
verzoeker in voorlopige voorzieningen, verweerder in de hoofdzaak,
advocaat: mr. M. Bou-Asrar te Leeuwarden,
en
[verweerster](de moeder),
wonende op een geheim te houden adres,
verweerster in voorlopige voorzieningen, verzoekster in de hoofdzaak,
advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 29 september 2020, 18 november 2020 en 14 juli 2021 uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij de laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, beslist dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2017 (hierna: [de minderjarige] ), haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en is de volgende zorgregeling vastgesteld:
  • vanaf augustus 2021 zal driemaal een keer in de twee weken een dagdeel onbegeleid contact plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige] , waarbij BOCS (Jeugdhulp Friesland) alleen het eerste en het laatste kwartier aanwezig is en waarbij gewerkt kan worden met tijdsafspraken;
  • daarna zal driemaal een keer in de twee weken een dag onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvinden;
  • daarna zal [de minderjarige] een keer in de veertien dagen een weekend bij de vader verblijven.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot voorlopige voorzieningen

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van de moeder met bijlage(n), ingekomen op 13 oktober 2021;
- een brief namens de raad van 28 oktober 2021 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de vader tevens incidenteel hoger beroep en tevens verzoek om voorlopige voorzieningen met bijlage(n);
- een brief namens de vader van 13 december 2021;
- het verweerschrift tegen het verzoek om voorlopige voorzieningen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2022 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten, waarbij de moeder via een beeldbelverbinding heeft deelgenomen. Ook is verschenen [naam1] namens de raad.

3.De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van voornoemde [de minderjarige] over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

4.De motivering van de beslissing

IPR-overweging
4.1
Op grond van artikel 8 Brussel Pro II-bis (Verordening nr. 2201/2003) is de Nederlandse rechter bevoegd omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Nu niet is gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat het Nederlandse recht van toepassing is zal het hof eveneens Nederlands recht toepassen.
Overige overwegingen
4.2
Aan de orde is het verzoek van de vader om gedurende de hoger beroepsprocedure voorlopige voorzieningen te treffen op het punt van de zorgregeling. Hij vraagt aan het hof om het volgende te bepalen:
primair: dat de vader gedurende 1 weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur per twee weken omgang heeft met [de minderjarige] , waarbij de moeder [de minderjarige] brengt en haalt, alsmede dat [de minderjarige] gedurende de helft van de vakanties aansluitend verblijf heeft bij de vader, althans een zodanige regeling te treffen als door het hof in goede justitie te bepalen;
subsidiair: dat de zorg- en contactregeling tussen [de minderjarige] en de vader als volgt zal plaatsvinden:
- driemaal een keer per twee weken omgang op woensdag van 12.00 uur tot 17.00 uur;
- daarna driemaal een keer in de twee weken de zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
- daarna een weekend per twee weken gedurende vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] haalt en brengt, althans een zodanige regeling te treffen als door het hof in goede justitie te bepalen, totdat ten principale in hoger beroep is beslist
.
De moeder voert gemotiveerd verweer en verzoekt de vader in zijn provisionele verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen.
4.3
Op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter tijdens een aanhangig geding op verzoek van iedere partij een voorlopige voorziening treffen voor de duur van het geding indien deze samenhangt met het hoofdverzoek.
4.4
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader om de gevraagde voorlopige voorziening toewijsbaar is. Vast is komen te staan dat de moeder tot op heden niet heeft meegewerkt aan de door de rechtbank in de bestreden beschikking opgelegde zorgregeling. Ook het vonnis in kort geding van de voorzieningsrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 oktober 2021 waarin de moeder op straffe van een dwangsom werd bevolen mee te werken aan de geldende zorg- en contactregeling heeft hierin geen verandering gebracht. De moeder verklaart haar gebrek aan medewerking onder meer met het niet concreet zijn van de door de rechtbank opgelegde regeling voor wat betreft dagen en tijden. Daarmee is voor het hof de noodzaak gegeven om wel een door de vader verzochte invulling van de zorgregeling met dagen en tijden toe te wijzen. Het belang van de vader om nu deze voorziening toegewezen te krijgen is groter dan dat van de moeder om de beslissing in de hoofdzaak af te wachten omdat het hier om omgang gaat en er al lange tijd geen contact is geweest tussen de vader en [de minderjarige] . De overige door de moeder aangevoerde bezwaren tegen een zorgregeling zijn naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt. Het hof zal niet het primaire verzoek van de vader toewijzen maar het subsidiaire verzoek, omdat een opbouw van de omgang in het belang van [de minderjarige] is en deze regeling beter aansluit bij het karakter van de voorlopige voorziening.
Dwangsom
4.5
Het hof zal ambtshalve een dwangsom verbinden aan de voorlopige voorziening omdat het een omgangsregeling betreft tussen de vader en zijn vierjarige dochter met wie hij al lange tijd geen contact heeft gehad en omdat de moeder tot op heden weigerachtig is gebleken om een eerder opgelegde omgangsregeling na te komen.

5.De beslissing

Het hof:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 14 juli 2021 voor de duur van het geding in hoger beroep in die zin dat de regeling zal ingaan vanaf 1 april 2022 en zal plaatsvinden in de even weken en dat de volgende dagen en tijdstippen gelden:
  • vanaf 1 april 2022 zal driemaal een keer in de twee weken op woensdag van 12.00 uur tot 17.00 uur onbegeleid contact plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige] in Leeuwarden of in een straal van 70 km rondom [plaats1] (de eerste omgang zal dus op woensdag 6 april 2022 zijn);
  • daarna zal driemaal een keer in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur onbegeleid contact plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige] in [plaats1] of in een straal van 70 km rondom [plaats1] ;
  • daarna zal [de minderjarige] een keer in de veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader in Nederland verblijven, bijvoorbeeld in [plaats2] bij de zus van de vader.
de vader brengt en haalt [de minderjarige] ;
bepaalt dat de moeder aan de vader een dwangsom verschuldigd is van € 250,- per keer tot een maximum van € 5.000,- totaal voor iedere keer dat de moeder in gebreke blijft deze zorgregeling na te komen.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, J.G. Idsardi en J.G. Knot, bijgestaan door de griffier en is op 24 maart 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.