De terbeschikkinggestelde, geboren in 1987, is sinds zijn zestiende onder terbeschikkingstelling geplaatst en verblijft in een Forensisch Psychiatrisch Centrum. Hij heeft een verzoek ingediend tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, nadat de rechtbank Noord-Nederland dit verzoek op 16 september 2021 impliciet had afgewezen en de terbeschikkingstelling met twee jaar had verlengd.
Het hof heeft in hoger beroep de stukken bestudeerd en partijen gehoord, waaronder de terbeschikkinggestelde, zijn raadsman, de advocaat-generaal en een deskundige psycholoog. De deskundige gaf aan dat de terbeschikkinggestelde sinds het stoppen met antipsychotica in augustus 2021 rustiger was, maar dat er geen behandeldoelen meer zijn en dat de kliniek geen mogelijkheden ziet voor resocialisatie. Er is een aanvraag gedaan voor plaatsing op een Langdurige Forensische Psychiatrische Zorg (LFPZ) afdeling.
De terbeschikkinggestelde stelt dat hij in eerdere periodes buiten de kliniek heeft kunnen functioneren zonder recidief, en dat het verzoek tot beëindiging van de verpleging gerechtvaardigd is. Het openbaar ministerie en de kliniek wijzen echter op het blijvende risico, manipulatief gedrag en het ontbreken van probleembesef. De reclassering adviseert negatief over een voorwaardelijke beëindiging.
Het hof concludeert dat de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar passend is, omdat de behandeling en resocialisatie meer tijd vergen. Het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging wordt afgewezen vanwege onvoldoende bewerking van risicofactoren en het blijvende recidiverisico. De beslissing van de rechtbank wordt bevestigd, waarbij een kennelijke vergissing in het dictum wordt gecorrigeerd.