De zaak betreft een hoger beroep van een eigenaar van een recreatiewoning tegen de besloten vennootschap Rekreatiepark De Byvanck B.V., die de woning verhuurde en de huurpenningen niet afdroeg. De eigenaar vorderde betaling van € 15.900 aan niet-afgedragen huurpenningen en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs van schade.
In hoger beroep stelde de eigenaar dat De Byvanck ongerechtvaardigd was verrijkt door de huurpenningen niet af te dragen en dat zij verplicht was tot rekening en verantwoording. De Byvanck stelde zich op het standpunt dat zij gerechtigd was tot verrekening van de huurpenningen met diverse tegenvorderingen, waaronder parkbijdragen, nutsvoorzieningen, onderhoudswerkzaamheden en provisie.
Het hof oordeelde dat De Byvanck ongerechtvaardigd was verrijkt en dat de vordering tot afdracht van € 15.900 terecht was. Van de door De Byvanck opgevoerde verrekenposten werden alleen de parkbijdragen van € 4.389,75 geaccepteerd, omdat de overige posten onvoldoende waren onderbouwd. De vordering werd daarom verminderd tot € 11.510,25, vermeerderd met wettelijke rente. De buitengerechtelijke kosten en overige bijkomende kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, wees de vordering grotendeels toe, veroordeelde De Byvanck in de proceskosten van beide instanties en legde een veroordeling in nakosten op. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.